© 2023 by Fashion Diva. Proudly created with Wix.com

Becommentarieerd, uit FJR 2012/5; de oorspronkelijke publicatie gaat over:

“De stem van het pleegkind”

Oorspronkelijk door Dr. A.M. Weterings en dr. P.M. van den Bergh,[voetnoot 1]     

2012/5 – uit juridisch maandblad Familie- & JeugdRecht {FJR, dat rechters lezen}.

{In kleur en tussen {accolades} wordt ter nuancering toegevoegd opmerkingen

van Tj.W. Strubbe ter relativering; het valt op hoe er over de eigen ouders

geschreven, ja gesuggereerd, wordt, en ook worden er variabelen

van de OTS-opgroeienden ‘vergeten’ mee te wegen. - TjS}

1. Intro: 

De laatste jaren is herhaaldelijk geschreven over het horen van kinderen, over de vraag of zij niet een eigen advocaat zouden moeten hebben of vaker door de kinderrechter zelf zouden moeten worden gehoord.[voetnoot 2]    Dan gaat het voornamelijk over kinderen vanaf 12 jaar in echtscheidingszaken die in staat zijn zelf gedachten en gevoelens enigszins te kunnen verwoorden. Een andere categorie kinderen waar het mijns inziens nuttig is om ‘de stem van kind’ in de besluitvorming te betrekken, is de categorie jonge pleegkinderen, van 0 t/m 11 jaar.

Willen kinderrechters en hulpverleners het ontwikkelingsbelang {Burgerlijk Wetboek Eén, BW1:artikel 255, sinds 2015} van het kind kunnen beschermen, dan is het nodig sensitief te zijn voor de stem, de signalen, van het kind. {Maar ook te wegen welke belangen het kind later zal hebben, en daartoe is toegesneden diagnostiek en specialisme noodzakelijk, IVRK art. 24 lid 1}. Kinderen zijn namelijk goed in staat ‘hun stem te laten horen’ door met hun gedrag aan te geven hoe het met hun ontwikkeling gaat.[3]   {Tijdens en na het vreemde uithuisplaatsen of in de strijd tussen scheidende ouders kunnen kinderen dat dus helemaal niet zo goed omdat ze in vreemde situatie zeer afhankelijk zijn en vaak schijngedrag vertonen (Mary Dozier, 2002, https://jeugdbescherming.jimdo.com/tips-en-andere-brieven/cortisol-in-pleegzorg-te-hoog/). De suggestie dat jeugdzorgwerkers zelf voldoende sensitief zijn om dit onderkennend te wegen met toekomstige belangen van het kind, gezien de wettekst “èrnstige bedreiging van de ontwikkeling”, blijkt uit wetenschappelijk onderzoek niet juist. (J.J.Doyle, https://jeugdbescherming.jimdo.com/kwaliteit/wat-wetenschap-uhp-missen-van-ouders/, U. Gresser, https://jeugdbescherming.jimdo.com/kwaliteit/wertenschap-kind-oudercontact-schaden-is-schadelijk/, etc.)}.

Als deze signalen begrepen worden in hun betekenis voor de ontwikkeling van het kind, kunnen cruciale beslissingen over zijn leven en toekomst ook pedagogisch verantwoord genomen worden, zodat het gedepriveerde kind zich daadwerkelijk beter kan gaan ontwikkelen. {En daartoe dient dus ópen diagnostiek, geen ‘jeugdzorg’- of raadsonderzoek.}

 

2. Probleemstelling:

Jonge kinderen in pleeggezinnen, met name de 0- t/m 5-jarigen, worden door de rechter niet gehoord.

Hun ‘stem’ is echter belangrijk daar juist bij hen beslissingen over hun leven grote invloed kunnen hebben op hun mogelijkheden tot verdere ontwikkeling. In de jeugdhulpverlening en jeugdbescherming gaat het om het beschermen van (het belang van) het kind, {althans het beschermen tegen “èrnstige bedreiging van de ontwikkeling” en ‘ontwikkelingsveiligheid’}. In het wetsvoorstel ‘Herziening Kinderbeschermingsmaatregelen’ (32 015, tot de Jeugdwet en nieuw BW1) wordt het belang van het kind {vaag} gespecificeerd tot ‘ontwikkelingsbelang’.

 

Een voorbeeld[4]     met consequenties…

Ken werd, twee jaar oud, door zijn ouders in een pleeggezin geplaatst omdat zij zijn verzorging niet meer aankonden. {Deze vaak gehoorde bewering gaat over het veelal tijdelijk ‘niet aankunnen’ van de verzorging terwijl ouders geen passende hulp of voorlichting, zwart op wit, hebben verkregen, inclusief alternatieven met bijbehorende juridische consequenties. Dit is in praktijk een groot gemis; de roep om waarheidsvinding}.  Hij bleek {naar bewering van de ‘jeugdzorg’} achterstanden in zijn ontwikkeling te hebben. Hij kende, bijvoorbeeld, nog nauwelijks woorden, sliep slecht en had ‘zomaar’ driftbuien, met schoppen, gillen en bijten. Er werd een OTS en UHP uitgesproken. Er was al redelijk snel vooruitgang te zien in het functioneren van Ken door de duidelijke structuur die de pleegouders hem boden. Ken werd rustiger {of vertoonde schijngedrag}. Nu, ruim 6 jaar oud, heeft hij zich ontwikkeld tot een redelijk functionerend kind. De pleegouders kunnen zijn gedrag goed hanteren, Ken is een vrolijk kind geworden en op school gaat het naar wens.

Ken gaat eenmaal per maand bij zijn vader logeren. Dat loopt meestal plezierig. De vader is ruim een jaar geleden getrouwd met zijn nieuwe partner. Hij vraagt nu aan Bureau Jeugdzorg (BJZ, tegenwoordig de G.I. met [gezins]voogdij) om Ken weer op te mogen voeden. {Dit ondanks dat de ‘jeugdzorg’ prejuridiciërend de bezoekfrequentie wel erg laag heeft ingesteld om tot terugplaatsing te kunnen komen. Daardoor kan het kind en ouders niet met elkaar zijn ‘meegegroeid’ in kind’s ontwikkeling en kan het kind zich in diens keuze afhankelijk tonen aan diens opvoeders in het volgend ‘onderzoek’. Een kind is geneigd diens opvoeder(s) te pleasen en beschermen, wat geen kindertaak zou mogen zijn. Na vier pleegjaren is eerst een betere contactfrequentie nodig en een gefaseerd wennen; het blijkt dat kind wel al wil logeren. Het kind wordt prematuur voor een woonkeuze gesteld}.

BJZ/G.I. geeft een onderzoeksbureau {een ketenpartner, vaak met sturende onderzoeksvragen,} opdracht te onderzoeken of de vader en diens vrouw voldoende opvoedingscapaciteiten hebben. Ken geeft in een test tijdens het onderzoek aan dat zijn pleegouders een belangrijker plaats in zijn leven innemen dan zijn vader en diens vrouw. Vooral zijn pleegvader is belangrijk voor hem. Zijn vader noemt hij weinig. Desgevraagd zegt Ken tegen de onderzoeker dat hij wel bij zijn vader wil logeren, maar daar niet wil wonen. De vader en diens vrouw hebben goede ideeën over opvoeding.

Het bureau concludeert dat het echtpaar voldoende capaciteiten heeft en dat Ken kan worden teruggeplaatst, conform de idee van BJZ. {Maar al te vaak wordt dit terugplaatsen niet deskundig gedaan met gefaseerde gewenning}.  De Raad voor de Kinderbescherming is het eens met het beleid van BJZ. De zorgaanbieder van Pleegzorg vindt dat de pleegouders moeten meewerken met BJZ. De bezoekregeling wordt uitgebreid. Ken gaat echter op de bezoeken negatief reageren bij de pleegouders. Hij slaapt slecht, heeft soms nachtmerries, is minder vrolijk en valt terug in zijn vroegere gedrag na een weekendbezoek. {Hiermee wordt in feite bewezen dat pleegzorg niet deskundig is voor de taak tot mogelijke en gefaseerde terugplaatsingen. De pleegouders zijn niet diagnostisch bevoegd maar krijgen een zeer grote stem in wat juridisch beweerd wordt over het kind:}.

De pleegouders, die zien hoe hun pleegkind lijdt onder de mogelijke terugplaatsing, vragen om een rechtszitting. Zij hebben een advocaat die, op basis van ‘wetenschappelijke literatuur’, bepleit dat een terugplaatsing niet in het ontwikkelingsbelang van Ken is vanwege zijn goede gehechtheid aan zijn pleegouders. De kinderrechter is het echter eens met het beleid van BJZ: zij zijn de ‘deskundigen’ op dit gebied en ‘een kind hoort nu eenmaal bij zijn ouders en hij is altijd loyaal aan hen’.  Uit de beschikking blijkt dat Ken wordt teruggeplaatst. Als de gezinsvoogd hem komt halen, wil Ken niet mee, verzet zich en huilt als hij naar zijn vader wordt gebracht. {Weer wordt duidelijk hoe ondeskundig de ‘jeugdzorg’ en pleegzorg werken, want dit duidt op ondermaatse begeleiding}.

Gezegd kan worden dat alle instanties, die zich met deze casus bezighouden, gericht zijn op het belang en de wens van de ouder en niet zozeer kijken wat de genomen beslissing betekent voor het kind. {Dit is een veelvoorkomend ‘excuus’ uit de ‘jeugdzorg’, de oorzaak bij de ouders leggen}. Met de signalen van het kind is in feite helemaal niets gedaan.

In dit artikel wordt een pleidooi gehouden om alle betrokkenen sensitiever te laten worden voor de signalen van het kind.[5]  

Aan de hand van resultaten van wetenschappelijk onderzoek naar de situatie vóór de uithuisplaatsing, bij komst in het pleeggezin en tijdens de pleeggezinplaatsing, zal aangetoond worden dat het mogelijk is de signalen van het kind te herkennen en te interpreteren in zijn ontwikkelingsbelang. Het artikel wordt afgesloten met een slotbeschouwing. {Vreemd is dat menige OTS niet gedekt wordt met een ópen diagnostisch gemeten nulmeting, doch slechts gebaseerd is op meningeninventarisatie van raad en ‘jeugdzorg’.}

3. Methode van onderzoek:

Als methode van onderzoek zijn dossiers over pleegkinderen geanalyseerd, afkomstig van twee Bureaus Jeugdzorg, afdeling Bescherming. [6]     {De huidige gezinsvoogdij-instellingen, de G.I.’s, die met hun rapportages blijkens het onderzoeksrapport van de Kinderombudsman uit 2013 (http://www.dekinderombudsman.nl/92/ouders-professionals/publicaties/rapport-is-de-zorg-gegrond/?id=325) het er niet onverdeeld goed afbrengen, gezien de gevonden vele fouten in die dossierstukken, zijn de bron; en overwegende de roep om ‘waarheidsvinding’, de naar kinderrecht te noemen “diagnostische waarheidsvinding” dus dubieus!}.    Daarnaast is gebruikgemaakt van gegevens over de opvoedingssituatie in gezinnen en pleeggezinnen verkregen met behulp van het PSI,

Pedagogisch Signalerings-Instrumentarium.

 

Informatie over het PSI:  {PSI, het instrument van Weterings zelf} 

Het PSI is vanaf 1990 ontwikkeld aan de Universiteit Leiden, Afdeling Orthopedagogiek door Weterings & Van den Bergh:   PSI-G voor het gezin, PSI-UHP voor ouders als hun kind uit huis is geplaatst, PSI-P voor het pleeggezin.

Het PSI [van Weterings & Van den Bergh] is een instrument om een risicotaxatie te maken van een opvoedingssituatie middels ‘diagnostische interviews’ met ouders en/of pleegouders {en het zijn vaak slechts diagnostisch onbevoegde jeugdzorgwerkers die dat afnemen}.

Het PSI bestaat uit 10 tot 18 vragenlijsten, met vaste vragen waar pleegouders en ouders — en het kind — ‘vrij’ op kunnen antwoorden.

De lijsten worden afgenomen door de gezinsvoogd {ondeskundigen, over ‘vrijheid’ gesproken!} of pleegzorgwerker bij ouders en/of pleegouders thuis. De informatie wordt beoordeeld, gewogen, op pedagogische betekenis voor de opvoedingssituatie. {Dus de notities van de jeugdzorgwerkers worden zwart-wit vertaald door eveneens niet-orthopedagogen doch slechts gedragsdeskundigen}.  

De ‘weging’ wordt gedaan door een van het (pleeg)gezin onafhankelijke gedragsdeskundige aan de hand van de vraag of sprake is van een probleem in de ontwikkeling van het kind en/of in het pedagogisch handelen van de (pleeg)ouder. Het oordeel van de beoordelaar wordt aangegeven op een ‘wegingsformulier’. Iedere vraag krijgt een score van 1 punt als de beoordelaar van oordeel is dat de informatie van de (pleeg)ouder duidt op een probleem en 0 punten als dat niet het geval is. {Dus geen middenweg, doch zwart-wit, zodat “drinkt wel eens alcohol” al verwordt tot ‘alcohollist’; een half of kwart bestaat niet}.

Op deze wijze kan een overzicht verkregen worden van de onderwerpen waar problemen zijn, maar ook waar het goed gaat.[7]   {De scores zijn door Weterings opnieuw berekend vanuit de lijsten! [7]}

De vragenlijsten voor de ouders en voor de pleegouders over hetzelfde onderwerp zijn gelijk (bijv. over de ontwikkeling van het kind), zodat de informatie kan worden vergeleken.

Aan de hand van de PSI-vragenlijsten is ook een format ontwikkeld voor dossieronderzoek.

Gegevens over de kinderen[8]  

Alle kinderen in de genoemde onderzoeken zijn 0 t/m 11 jaar. {Niet ouder; géén longitunaal onderzoek wat bij opgroeienden nodig is!}.

  • Uit de PSI-UHP-onderzoeken: gemiddeld ruim 6 jaar bij afname van het PSI.  Bij 91% is sprake van een kinderbeschermingsmaatregel. {Wanneer is de nulmeting gedaan, vooraf aan uithuisplaatsen? Worden pathogene gevolgen van uithuisplaatsen in de opgroeiende wel herkend door slechts gezinsvoogden, niet orthopedagogisch bevoegd?! NB: Een kinderbeschermingsmaatregel is genomen op grond van jeugdzorgrapportages waarin vele fouten zijn gevonden door de Kinderombudsman, 2013. Ook nu stapelen signalen zich op dat deze rapportages ter discussie staan! ‘Waarheidsvinding’}.

  • Uit de PSI-P onderzoeken: gemiddeld rond de 7 jaar bij afname en de gemiddelde duur verblijf ligt rond de 3 jaar, variërend van 3 maanden tot 10 jaar. De gemiddelde leeftijd bij komst in het pleeggezin is ruim 4 jaar. Voor 90% van hen geldt een kinderbeschermings­maatregel.

  • Uit het jeugdzorg-dossieronderzoek: gemiddeld 6 jaar en gemiddeld rond hun 4e jaar in het éérste pleeggezin geplaatst. De gemiddelde duur van het verblijf is 2,8 jaar, variërend van 3 maanden tot ruim 10 jaar.

   Voor alle 150 kinderen geldt een kinderbeschermingsmaatregel.[9]    {Hierbij wringt de nodige invloed van hoe een – tegenwoordig nogal eens bekritiseerde –  jeugdzorgwerker meette en verslag legde}.

   Opmerking:  Bij de onderzoeken is de verdeling van jongens en meisjes vrijwel gelijk. Bij alle onderzochte verbanden is nagegaan of er verschillen waren tussen jongens en meisjes. Dit bleek zelden het geval.

Sekseverschillen worden daarom niet vermeld.

4. Beeld van het kind vóór zijn komst in het Pleeggezin:

Als een kind uit huis en in een pleeggezin wordt geplaatst [UHP], heeft hij vrijwel altijd in een problematische opvoedingssituatie bij zijn ouders geleefd. {Dit is een onbewezen axioma; waarbij diverse wetenschappelijke onderzoeken anders wijzen:  Met deskundiger hulp en valide voorlichting blijkt dat meer dan 50% (rond de drie op de vier komt vaak voor) van deze kinderen beter thuis met de juiste hulp en begeleiding hadden kunnen opgroeien, waarbij tevens bleek dat deze thuis opgroeiende kinderen beter af waren achteraf. O.a. prof. Jo Hermanns vond dit in Zeeland; https://www.youtube.com/watch?v=HGTzNQeo_1Q }.

Dit blijkt uit de PSI-UHP’s over de omvang van de hulp die het gezin heeft ontvangen vòòrdat het kind uit huis werd geplaatst, de ontwikkeling van de relatie van het kind met zijn ouder en, in de BJZ-dossiers, uit de redenen die geleid hebben tot de uithuisplaatsing. {Kritiek:  dit is op basis van meningen van jeugdzorgwerkers, dus zonder de ‘diagnostische waarheidsvinding’ waarom geroepen wordt, en zonder vooraf valide deskundige voorlichting van alternatieven en de consequenties daar van!}.

Ontvangen hulp vóór de uithuisplaatsing:

Bij de meeste pleegkinderen is een OTS van toepassing. Dit betekent dat het belang van het kind werd bedreigd door het niet goed functioneren van zijn ouders.[10]  {Axioma!, immers waar er geen diagnostisch nulmeting is en er slechts afgegaan wordt op meningen en invullingen van jeugdzorgwerkers, mag er niet wetenschappelijk uitgegaan worden dat deze basis tot OTS op waarheid en diagnostisch inzicht berust; veelal was er geen overwegende ‘bedreiging’ door de ouders, doch beweerd probleemgedrag, dat niet deskundig gewogen werd met de gevolgen van een kinderbeschermende dwangmaatregel. Vaak kregen de ouders geen juiste voorlichting met alternatieven en hun gevolgen. Veel ouders denken dat het lage niveau van hulpinzet door jeugdzorg ‘veel’ is. Daarentegen, vaak is diagnostische inzet goedkoper omdat het effectiever werkt en de ouders deskundiger worden!}.  

In de PSI-UHP’s vermelden de ouders ‘veel hulp’ te hebben ontvangen vóórdat het kind uit huis ging, variërend van 1 tot 14 jaar hulp (gemiddeld 5,4 jaar per gezin), ontvangen van 3 tot 14 instanties (gemiddeld 7,6). Het aantal jaren opvoedingsgerichte hulp kan oplopen tot 8 jaar en is gemiddeld 3,5 jaar. {Bij gebrek aan diagnostiek kan de gegeven ‘opvoedingsgerichte hulp’ nogal eens niet-passend tot zelfs escalerend hebben gewerkt. Men moge zich dus afvragen van welk niveau deze ‘hulp’ was; van een diagnostisch bevoegd therapeut of van een jeugdzorgwerker? En welk niveau voorlichting kregen de ouders, met uitleg welke alternatieven er zijn, wat er zou moeten verbeteren en welke consequenties de keuze van ouders oplevert bij falen?}.

Omgerekend per kind betekent dit dat het kind gemiddeld driekwart van zijn leven heeft geleefd in een gezin dat [enigermate] ‘hulp’ ontving en bij sommige kinderen is dat hun hele leven.[11]    Dit is een opmerkelijke uitkomst. {De Kinderombudsman vroeg zich in 2013 dan ook af of er sprake was van een “perverse prikkel” (p.93), subsidie op dwangzorg aan de BJZ/G.I.}.

 

Aanleiding tot uithuisplaatsing van het kind:

In Tabel 1 staan de meest voorkomende redenen tot uithuisplaatsing, zoals in de 150 BJZ-dossiers zijn vermeld {en hoe betrouwbaar zijn deze dossiers, overwegend wat de kinderombudsman in 2013 vond?}.[12]    Gemiddeld worden per gezin ruim 4 probleemfactoren genoemd, met name met betrekking tot de moeder.

Tabel 1:   Aanleiding tot uithuisplaatsing  ______________________________________________________________________________ 

– Gezinsfunctioneren: 216 maal genoemd, waaronder:  _____________________________________________________________________________ 

Verwaarlozing van het kind                                                               36%

Huiselijk geweld                                                                                30%

Mishandeling van het kind                                                                25%

Financiële problemen                                                                       25%

Seksueel misbruik                                                                               9% _______________________________________________________________________________ 

– Functioneren moeder: 272 maal genoemd, waaronder: _______________________________________________________________________________ 

Pedagogische onmacht                                                                   61%

Psychische problematiek                                                                 51%

Drugsverslaving                                                                                18%

Alcoholverslaving                                                                             15%

Verstandelijke beperking                                                                  11% _______________________________________________________________________________ 

– Functioneren vader: 116 maal genoemd, waaronder:  _______________________________________________________________________________ 

Pedagogische onmacht                                                                   20%

Psychische problematiek                                                                 14%

Drugsverslaving                                                                                11%

Alcoholverslaving                                                                              13%

Verstandelijke beperking                                                                    7% ________________________________________________________________________________

– Functioneren kind: [slechts] 21 maal genoemd, waaronder: ________________________________________________________________________________

Emotionele problemen                                                                        4%

Opstandigheid                                                                                     3%

Gedragsproblemen                                                                             3%

_________________________________________________________________________________

_________________________________________________________________________________ 

 

Uit de cijfers van Tabel 1 blijkt dat het functioneren van het kind [door het uithuisgeplaatst-zijn] nauwelijks in de overwegingen tot uithuisplaatsing wordt betrokken. Problemen van of met het kind worden slechts in 4% of minder genoemd. Zo wordt bijvoorbeeld (vermoeden van) mishandeling in 25% van de gevallen vermeld, maar slechts 2% van de kinderen is om deze reden uit huis geplaatst. {Wat een uithuisgeplaatst kind kan treffen in diens loyaliteits- en identiteitsgevoel is wat het te horen krijgt over het ‘waarom’ niet thuis opgroeien; wat heeft de gezinsvoogd gesuggereerd aan de pleegouders, die daarover spreken? Hoe conflicterend is dàt?}.

 

Relatieontwikkeling tussen ouder en kind vóór de uithuisplaatsing:

Uit PSI-UHP-onderzoeken blijkt dat de problemen in de

relatie tussen ouder en kind zich voortzetten. {Of de

ouders kregen onjuiste voorlichting, wat nìèt gemeten is,

of komt dit door stress (https://jeugdbescherming.jimdo.com/tips-en-andere-brieven/cortisol-in-pleegzorg-te-hoog/) van het vreemde uithuisgeplaatst-zijn

tot ontwikkeling? Dan is de vraag of de volgende

conclusies valide zijn…}.

Als de problemen in de verzorging en omgang eenmaal

begonnen zijn, en de opvoedingssituatie als geheel zwaar

was door problematiek van de ouders, dan zetten de

problemen zich in 95% van de gevallen voort tot de

uithuisplaatsing.[13]     Dit is een zorgelijk gegeven, daar

bij de helft van de kinderen deze problemen reeds

begonnen zijn in het 1e levensjaar. {Zetten de niet-eerst-

gediagnosticeerde ‘zorgen’ zich voort, of…  ontstaan door

UHP de ‘zorgen’ die eerder slechts beweerd of vermoed

werden, zonder passende voorlichting of passende

diagnostisch-therapeutische inzet?!!}.

Verder blijkt dat de omvang van de problemen in de relatieontwikkeling tussen ouder en kind duidelijk (significant) samenhangt met de omvang van de problemen in de ontwikkeling van het kind.[14]   {Een ‘samenhang’ zonder diagnostieke nulmeting; op wat jeugdzorgwerkers zwart-wit invulden en uit dossier werd ‘vermoed’ als ‘zorgpunten’, die alleen zwart-wit 0 of 1 konden zijn! Zo controleert men toch niet ‘wetenschappelijk’ of de hulpverlening effectief is?!!}.

Onderbrekingen en veranderingen in de relatie tussen ouder en kind blijken veel voor te komen.  {Dwangzorgmaatregelen vanuit de gezinsvoogdij, middels Schriftelijke Aanwijzingen (S.A.), worden interferenties genoemd; BW1:263–265; vaak zonder diagnostieke nood}. Deze ‘interferenties’ betreffen een uithuisplaatsing van het kind, het uit elkaar gaan van de {vaak door de dwangzorg aangeslagen en daardoor escalerende} ouders, opname van een ouder in een ziekenhuis, {op insinuatie de bezoekregeling beknibbelen door gezinsvoogd, het kind aan andere ouder toewijzen door gezinsvoogd (met S.A.), van perspectiefbiedend pleeggezin naar perspectiefbiedende pleegsetting overplaatsen}, opname van moeder en kind in een Blijf-van-mijn-Lijf-huis, e.d.. {Een tijdelijke netwerkplaatsing om de tijd van een behandeling van een ouder te overbruggen, het logeren wat vroeger gebruikelijk was, lijkt tegenwoordig taboe}.

Dergelijke interferenties beïnvloeden veelal de relatie van de ouder met het kind negatief omdat het kind het vertrouwen in zijn ouder kan verliezen. {Het is vreemd dat de ‘jeugdzorg’ dit wetende dit in hun besluiten nimmer meeweegt naar de rechter!}.  

Vooral bij jonge kinderen (0 t/m 5 jaar) blijken interferenties veel voor te komen.  Van hen heeft 20% zelfs meer dan 7 interferenties meegemaakt. {Waarvan de meeste door de maatregelen van de gezinsvoogdij, en al te vaak zònder diagnostiek alternatief dat wetenschappelijk beter voor de opgroeiende zal zijn (https://jeugdbescherming.jimdo.com/kwaliteit/meer-doyle-wetenschap/)}.

Uit de informatie van de ouders in het PSI-UHP blijkt dat 38% van de kinderen voor de tweede maal uit huis is geplaatst.[15]    Onderbrekingen kunnen de relatie tussen ouder en kind verzwakken.[16]   {Daarmee dient het geadviseerde hulptraject rekening mee te houden. BW1:262 lid 1 (naast lid 1) dient zwart op wit gecontroleerd te worden. Rechters doen er goed aan om een onafhankelijke specialist te benoemen die dit ópen diagnostisch onderzoekt. Het komt nogal vaak voor dat pleegkinderen van pleegsetting naar pleegsetting overgeplaatst worden, en zeker ook hier zal dat ongunstig werken in de psyche van het pleegkind, over “verzwakken” gesproken!}.

 

5. Beeld van een pleegkind bij/na komst in het Pleeggezin:

In het PSI-P wordt de pleegouders informatie gevraagd over 6 ontwikkelingsgebieden, zowel bij de komst van het kind in het pleeggezin als in de huidige situatie (dat wil zeggen bij afname van het PSI). {De pleegouders zijn veelal geen orthopedagogen}.

Om een beeld van de ontwikkeling van het pleegkind te krijgen zijn in 2009 116 PSI-P’s

geanalyseerd, afgenomen in de jaren 1995 tot 2008.[17]    In 2010 zijn 61 PSI-P’s, afgenomen in 2008 en 2009, geanalyseerd.[18] 

Door de omvang van de ontwikkelingsproblemen bij de komst in het pleeggezin te vergelijken met de omvang van de problemen na enige tijd verblijf, kan nagegaan worden of het verblijf de ontwikkeling van het kind bevordert of niet.

 

In Tabel 2 volgt het overzicht van de omvang van de problemen op de 6 ontwikkelings­gebieden van de 61 pleegkinderen uit 2008 en 2009, zowel bij hun komst in het pleeggezin en als bij afname van het PSI, gemiddeld 3 jaar later. {Er kunnen meerdere overplaatsingen al achter de rug zijn met het kind. Cijfers uit jeugdzorgdossiers waar fouten in gevonden zijn door de Kinderombudsman. Vaak was er geen ópen diagnostische nulmeting vòòr het uithuisplaatsen; uithuisplaatsen zorgt voor stress; die neemt kenbaar nìèt volledig af!}.

______________________________________________________________________________________ 

Tabel 2: Mate van voorkomen van problemen bij 61 pleegkinderen op 6 ontwikkelingsgebieden, in percentages op basis van het PSI-P.

______________________________________________________________________________________ 

     

- Ontwikkelingsproblemen {Kan komen door het                                    in het pleeggezin

Uithuisgeplaatst-zijn in een voor het kind vreemde                    bij komst            bij afname PSI

setting, weg van thuis.  Zie J.J. Doyle, 2007}:                                               

______________________________________________________________________________________

Lichamelijk (uitgedroogd zijn, slecht eten en slapen,

ontlasting ophouden)                                                             :        80%                54%

______________________________________________________________________________________

Motorisch (zitten, lopen, bewegen niet volgens leeftijd,

veel vallen)                                                                             :         69%                48% ______________________________________________________________________________________

Taal (slecht praten, niet volgens leeftijd weinig

woordkennis, slechte zinnen)                                               :          66%                41%  ______________________________________________________________________________________

- Sociaal: ______________________________________________________________________________________

– Omgang vriendjes (niet kunnen of willen samenspelen,

veel ruzie, slaan)                                                                    :           62%                56% ______________________________________________________________________________________

– Functioneren (zich niet kunnen redden volgens leeftijd,

zich niet bezig kunnen houden, vreemd gedrag)                :           61%                69% ______________________________________________________________________________________

Emotioneel (zich niet uiten, ‘onpeilbaar’, onzeker, angstig,

‘zomaar’ driftbuien, schreeuwen, gillen, geen pijn voelen,

zichzelf slaan of pijnigen, onechte emoties)                        :            95%                89%

______________________________________________________________________________________

______________________________________________________________________________________ 

In de bovengenoemde voorbeelden laat het kind duidelijk zien en ‘horen’ dat het niet goed met hem gaat. Vooral de problemen op emotioneel gebied blijken zeer veel voor te komen. {Zeker door en na het uithuisgeplaatst-zijn, zoals vastgesteld door wetenschappers zoals Joseph J. Doyle of U. Gresser (https://jeugdbescherming.jimdo.com/kwaliteit/wertenschap-kind-oudercontact-schaden-is-schadelijk/).  De problemen zijn niet met een diagnostische nulmeting voor het uithuisplaatsen gemeten!}

Ook uit het dossieronderzoek komen problemen op emotioneel gebied het meeste voor (bij 43%). Pleegouders lijken dat echter duidelijker te kunnen signaleren omdat zij de hele dag met het kind omgaan. {Terwijl ouders die signaleren niet serieus genomen worden}.

Uit Tabel 2 komt ook naar voren dat de problemen van de kinderen afnemen tijdens hun verblijf in het pleeggezin. {Waarbij het gewennen na vaak meerdere jaren meespeelt doch ook het niet af willen gaan als pleegouder, met regelmatig een kinderwens; het pleegkind is afhankelijkheid van de pleegopvoedsituatie en kan schijngedrag ter beveiliging vertonen, dat niet zichtbaar is voor jeugdzorgwerkers die niet laten diagnosticeren}.

Dit betekent dat de pleegouders de signalen van het kind meestal goed kunnen begrijpen en daar adequaat op in kunnen gaan. Hierdoor ontstaat vertrouwen{?} van het kind in de pleegouders en kan een gehechtheidsrelatie ontstaan. In de volgende paragraaf wordt kort ingegaan op de reden waarom een gehechtheidsrelatie van het kind met zijn primaire verzorger zo van belang is, wil hij zich kunnen ontwikkelen. {Er bestaan hechtingstherapieën om aan de primaire, biologische ouders gehecht te raken, en daarbij die ouders te helpen en ondersteunen op deskundige, positieve wijze!}.

5`. Het belang van een selectieve gehechtheidsrelatie:

De kern van de gehechtheidstheorie is dat het jonge kind afhankelijk is van een verzorger wil hij kunnen overleven. Hij moet dus bewerkstelligen dat hij een verzorger bij zich krijgt en houdt. {Dat kan ook in het gezin zelf waar een derde persoon de hechtingsfiguur is. Of waar er aan de ouders wordt gewerkt met een juiste bezoekfrequentie van enige contacten per week bij een tijdelijke pleegsetting}. Het [jonge] kind houdt de verzorger bij zich middels gehechtheidsgedrag (huilen, glimlachen, achterna lopen, vastklampen). Dit is een biologisch bepaald proces.

Het kind raakt gehecht als de primaire verzorger duurzaam sensitief ingaat op de signalen van het kind en deze signalen responsief, met adequate zorg, liefde en aandacht, beantwoordt. Door de duurzaamheid van de interactie krijgt het kind vertrouwen in [o.a.] deze primaire verzorger en ook in zichzelf omdat zijn signalen effect sorteren. Hierdoor ontstaat ook een gevoel van eigenwaarde. Het kind voelt zich geaccepteerd en emotioneel veilig bij deze verzorger. Het kind, ook het pleegkind, gaat selectief de nabijheid en troost bij deze specifieke primaire verzorger zoeken.[19]    De kenmerken van een gehechtheidsrelatie zijn: duurzaamheid en selectiviteit. De kwaliteit van relatie wordt in hoge mate bepaald door de primaire verzorger, met name door de sensitiviteit waarmee hij de signalen van het kind beantwoordt.

 

Classificaties bij indeling (on)veilige gehechtheid:

Een gehechtheidsrelatie kan geclassificeerd worden als veilig, onveilig-vermijdend en onveilig-ambivalent gehecht. Hierbij is nog een vierde categorie te onderscheiden, die als het ware ‘bovenop’ de onveilige gehechtheid komt, namelijk de gedesorganiseerd-gehechte kinderen, waarbij een duidelijke strategie om de aandacht van de ouder te krijgen ontbreekt.[20]    Deze vierde vorm komt vooral voor bij mishandelde en verwaarloosde kinderen, zich bijvoorbeeld uitend in angstreacties, in het verstarren van alle bewegingen als de ouder binnenkomt en/of in stereotypische gedragingen. {Doch de oorzaak van onveilige gehechtheid moet bij een toegesneden specialist gediagnosticeerd worden, dus niet bij een algemene ketenpartner van de G.I., en zeker niet door een gezinsvoogd zelf of een gedragswetenschapper die het cliëntsysteem niet zelf onderzocht naar diens beroepsethiek. Oorzaken van niet-vooraf vastgestelde onveilige gehechtheid zijn benoemd in maandblad FJR 2012/95 op https://jeugdbescherming.jimdo.com/kwaliteit/fjr-2012-95-over-hechting/ }.

In de wetenschappelijke literatuur over de ontwikkeling van kinderen wordt een duurzame en veilige gehechtheid aan primaire verzorgers van vitaal belang geacht willen ernstige ontwikkelingsproblemen voorkomen kunnen worden.  Verstoringen in gehechtheid, waaronder het afbreken van een veilige gehechtheidsrelatie, kunnen leiden tot ernstige gedragsproblemen.[21]   {Het uithuisplaatsen zou dus eigenlijk bijna nooit de schadende oplossing zijn; en het teruggeleiden met ‘gefaseerd en deskundig begeleide terugplaatsing’  blijkt vóór de identiteitsfase goed te kunnen voor latere ontwikkelingsbelangen.  Men wege ook mee dat onder de voogdij van een G.I. veel pleegkinderen van het ene ‘perspectiefbiedende pleeggezin’ worden overgeplaatst naar een volgend ‘perspectiefbiedend pleeggezin’;  het kind zal uiteindelijk, goed gehecht, beter ‘thuis’ kunnen opgroeien vanwege latere ontwikkelingsbelangen; mèt zo nodig voorlichtende hulp}.

Het jonge kind heeft nog geen besef van ‘bloedband’. Het kind doet of laat iets omdat hij de aandacht en liefde van zijn primaire verzorger wil behouden. Het kind laat zich door hem leiden en gezeggen.

Een selectieve gehechtheidsrelatie is daarom ook een opvoedingsrelatie.[22]    Dit is een relatie waarin liefde, leiding en structuur aan het kind geboden wordt zodat hij zich emotioneel veilig genoeg voelt om zijn ontwikkelingstaken te gaan vervullen.[23]   {Dit geldt totdat het kind ca. 6 jaar wordt, waarna het gaat zien dat diens pleegsituatie niet gewoon is. Daarna is onder deskundige begeleiding van een specialist zeker een al dan niet gefaseerde terugplaatsing naar de eigen ouders mogelijk, onder voorwaarden dat de G.I. ook concreet en aantoonbaar inhoudelijk aan de ouders heeft gewerkt met steun, voorlichting en hulp volgens BW1:262 lid 1 tot lid 3.  Bij juiste deskundige begeleiding en goede bezoekcontacten is voor het zesde jaar ook terugplaatsing mogelijk! Veel G.I.’s falen daarin door geen toegesneden diagnostisch specialist in te zetten. – NB: De G.I. haalt vaak de bloedband en de identiteitsontwikkeling door elkaar}.  

Normen en regels, de geboden structuur, bieden het [jonge] kind veiligheid in een voor hem onbekende wereld. Vanuit de emotionele gerichtheid van het kind op zijn primaire verzorger — of verzorgers — wordt hij emotioneel loyaal aan deze primaire verzorger. Het kind ‘trekt zich iets aan’ van deze verzorger en laat zijn betrokkenheid merken in zijn gedrag, met name bij (dreigende) scheiding door zich ook — letterlijk — te laten horen door huilen, schreeuwen,

angstreacties, en door stress en terugval in gedrag als hij achtergelaten wordt in een voor hem onbekende of emotioneel onveilige situatie {zoals pleegsettingen dat zijn voor een wat oudere opgroeiende; uit dit onderzoek bleek de gemiddelde leeftijd van pleegplaatsing: “De gemiddelde leeftijd bij komst in het pleeggezin is ruim 4 jaar.”}.

Een gehechtheidsrelatie ontstaat niet vanzelf door een bloedband van het kind met zijn ouder. Het is gebleken dat een gehechtheidsrelatie tussen een ter adoptie gesteld kind en zijn adoptieouder, ontstaan binnen de eerste zes maanden na de geboorte van soortgelijke kwaliteit is als een gehechtheidsrelatie tussen een ouder en zijn kind. {Dit is niet geheel juist: de prenatale hechting wordt door geadopteerden vaak gemist in bezwaarde identiteitsontwikkeling. Zwangere ouders hebben dus baat met juiste stimulerende voorlichting; geen bemoeizorg}.  

Adoptie {te vergelijken met noodzakelijke pleegzorg} kàn leiden tot een ‘opmerkelijke’ vooruitgang in ontwikkeling van het gedepriveerde kind {ondanks de oververtegenwoordiging aan de problemen door het ‘afgestaan-gevoel’.** Het psychologische verband tussen adoptie en pleeg moge duidelijk zijn; https://jeugdzorg.wixsite.com/jeugdzorg/verband-pleeg-en-adoptie-problemen }.[24]    

Dit betekent dat de manier waarop de primaire verzorger met het kind omgaat doorslaggevend is voor de aard van de relatie en niet ‘de genen’.[25]   {Waarbij men niet moge vergeten dat de ouders onder de OTS eveneens de deskundige kans krijgen tot wisselwerking met het ontwikkelende kind; BW1:262. Niet de ‘genen’ doch het latere ontwikkelingsbelang van de opgroeiende dient maatstaf te zijn}.

Wil een gehechtheidsrelatie kunnen ontstaan, dan is ‘commitment’, duurzame betrokkenheid van de primaire verzorger(s) aan het kind nodig.[26]   {Uit familiebanden in gewone gezinnen is duidelijk dat de hechting zich uitbreidt tot meer dan de eerste opvoeders. De historie van eeuwen heeft het logeren bij oma of tante als zelden bezwaarlijk laten blijken}. 

Verzorging alleen is niet voldoende. “De liefde gaat bij kleine kinderen niet door de maag maar via sensitieve interacties.”[27]    Door pleegkinderen een duurzame relatie te bieden, ‘een relatie voor het leven’, {dus met voldoende frequente contacten met de eigen ouders en met juiste voorlichting van een echte deskundige}, wordt hun zelfwaardering en het vermogen tot aanpassen bevorderd, nodig voor een adequate ontwikkeling.[28]  

 

Probleem:

Hier doet zich een probleem voor met betrekking tot de classificatie en kwalificatie van

gehechtheidsrelaties van pleegkinderen. De classificatie van de gehechtheidsrelatie in ‘veilig’ en ‘onveilig’ is ontwikkeld op basis van de relatie van kinderen mèt hun ouders {waarbij de jeugdzorg daarvan af wil bij uithuisplaatsingen! Er komen te veel problemen voor dóór het uithuisgeplaatst-zijn; contra-indicaties die wetenschappelijk bewezen zijn}.

De start van de relatie van een kind met pleegouders is wezenlijk anders.  

{Let op, nu volgt een axioma, waarbij de ouders, als standaard slecht, beschuldigd worden fout te hebben opgevoed:}  Als een kind in een pleeggezin komt, is hij geen veilig-gehecht kind {en dit is zonder nulmeting een ònwetenschappelijke, ònzinnige bewering die lezers waaronder veel jeugdrechters op het verkeerde been zet!}.

{Weer volgt een aanname, wat niet ondersteun wordt door een valide diagnostische nulmeting (https://jeugdbescherming.jimdo.com/kwaliteit/diagnostiek-nodig-als-nulmeting/)  door een specialist te doen vòòr de uithuisplaatsing:} Naarmate diens verwaarlozing of mishandeling langer heeft geduurd  is de basis voor ontwikkeling van gehechtheid waarschijnlijk meer verstoord. {De invloed van de stress rond het plotseling en onvoorbereid, vervreemdend uithuisplaatsen wordt eveneens niet meegenomen in dit onderzoek, terwijl door andere wetenschappers bekend is hoe schadelijk het uithuisplaatsen en geplaatst-zijn is voor een kind.   Axioma = “onbewijsbaar uitgangspunt; axiomatische regel; een basisbegrip dat zonder bewijs aangenomen moet worden”, en dat is geen wetenschap!}.  

Dit betekent dat het voor een pleegkind feitelijk zeer moeilijk kan zijn om een veilige gehechtheid met zijn pleegouder te ontwikkelen {en “betekent dat” echt? Een anti-bewijs: Dan is het immers de vraag hoe goed het is om dan uithuis te plaatsen.**, Doyle, Gresser}. Daarnaast kan de ontwikkeling van gehechtheid aan de pleegouder bemoeilijkt worden door contacten met de ouder. {Ja, wanneer de ouders ondanks BW1:262 geen deskundig goede voorlichting verkregen en krijgen, en de pleegouders wel gepolariseerde, vaak beschuldigende informatie over de ouders verkregen, zonder neutrale voorlichting wat het overplaatsen met de psyche van het kind doet, zonder informatie over latere ontwikkelings­belangen waarbij het kennen van ouders goed doet, zonder de voorlichting wat signalen over deze gepolariseerde informatie over ouders vanuit de G.I. met de opgroeiende doet}.

Het pleegkind kan wel een selectieve gehechtheids- en opvoedingsrelatie {naast schijngedrag} met zijn pleegouder ontwikkelen — zoals naar voren komt in de volgende paragraaf. Het lijkt het beste om aan deze relatie niet a priori de kwalificatie veilig of onveilig te verbinden, maar ‘positief’ als het kind zich positief gaat ontwikkelen. {Hier wordt dus kinderrecht IVRK artikel 25 ontweken, waar het kind recht heeft op degelijke evaluatie door de tijd onder OTS. Echte diagnostiek (IVRK 24 lid 1) kan zo vermeden worden}.

 

6. De situatie van het kind tijdens de Pleeggezinplaatsing:

     Vooruitgang in ontwikkeling in het pleeggezin

Voor de gehele groep van de 150 kinderen van het dossieronderzoek geldt dat zij ten tijde van het verblijf in het pleeggezin duidelijk vooruit zijn gegaan in hun ontwikkeling.[29]   {Althans op basis van de verslagen van de gezinsvoogden. Dossieronderzoek is niet diagnostisch naar IVRK 25. De dossierbevindingen spreken tegen wetenschappelijk onderzoek van bijv. de genoemde wetenschappers Joseph Doyle, Jo Hermanns of Ursula Gresser}.

Duidelijke vooruitgang in de zin van ‘richting normaal’ (uitdrukking van een pleegmoeder) is pas te zien bij een pleegverblijf van vijf jaar of langer waarbij de problemen op emotioneel gebied het langste blijven bestaan.[30]     

{Nu komt weer een axioma:} Dit gegeven betekent dat het kind door zijn ouders waarschijnlijk ernstig verwaarloosd is geweest, waardoor het jaren kan duren voordat de verstoringen in de ontwikkeling duidelijk minder zijn geworden. {Hier worden ouders zonder diagnostische nulmeting (https://jeugdbescherming.jimdo.com/kwaliteit/diagnostiek-nodig-als-nulmeting/)  vòòr de OTS hard de schuld gegeven, van problemen die veelal door het stressvolle uithuisplaatsen zijn ontstaan.  En waarom ruim vijf jaren uithuisgeplaatst houden waarbij de ouders zelden niet leerzaam zijn geweest indien ze concrete voorlichting en ondersteuning zouden hebben verkregen naar BW1:262?!   Is er hard bewijs dat de ouders echt zo lang zich niet ontwikkelden?   Het foutief bejegenen (en gebrek aan voorlichting) van ouders onder verantwoordelijkheid van de G.I., waarover zo vaak geklaagd wordt, https://jeugdbescherming.jimdo.com/tips-en-andere-brieven/bejegenen-en-vertrouwen/, kan worden vermeden door specialisten in te zetten, die effectiever en meer enthousiasmerend werken en overkomen.    Dit bleek o.a. uit de jeugdzorgacademie van prof. Carlo Schuengel, https://jeugdbescherming.jimdo.com/tips-en-andere-brieven/bejegenen-en-vertrouwen/ }.

Na is gegaan welke factoren de vooruitgang in ontwikkeling en afname van problemen beïnvloeden.

De beste voorspeller voor de vooruitgang in de ontwikkeling van het kind blijkt de te zijn: de aard van de relatie met zijn pleegouders.[31]    Naarmate de gehechtheids- en opvoedingsrelatie van het kind met zijn pleegouders minder problemen geeft, geeft de ontwikkeling van het [jonge] kind ook minder problemen.[32]  {Maar na het vijfde à zevende jaar wordt dat anders!}.

 

Contacten tussen het kind en zijn ouders

Zowel uit het dossieronderzoek als uit de PSI-onderzoeken blijkt dat de meeste pleegkinderen (rond de 80%) contact hebben met een of met beide ouders.[33] 

De frequentie van de bezoekregeling varieert van iedere week tot een keer per jaar en blijkt geen specifieke invloed te hebben op de onderzochte verbanden. {Veelal zijn de bezoekfrequenties al vanaf begin te rigide en te beperkt, zodat kind en ouders niet met elkaar meegroeien en het kind na een wenuurtje zich bestraft voelt met weer afscheid moeten nemen, terwijl het hoopt mee te mogen; het afhankelijke kind moet ook loyaal zijn aan diens pleegverzorgers, zodat het niet vrijuit kan praten. Doet het kind dat wel, dan wordt het de ouders verweten als ‘tegenwerkend’. Spreken de ouders vrijuit dan wordt er verslag gelegd dat de ouders over dingen praten waarover ze niet mogen praten, en wanneer ouders dan maar niet vrijuit praten met het kind tijdens bezoek, dan voelt het kind dit en vult in dat de ouder(s) ‘kennelijk’ het kind niet de moeite waard vindt. Zelden wordt een bezoek begeleid door een orthopedagoog-generalist (wat wel mogelijk is door Rv810a). Het kind internaliseert door deze scheuring van loyaliteitsbelangen; een secundaire hechtingsverstoring kan nu ontstaan. Zelfs CAPRD (uit DSM-5), als vervolg van PAS, kan ontstaan. Dit kan verkeerd worden opgemerkt door de pleegzorg:}.

 

Negatieve reacties van het kind voor of na bezoeken komen veelvuldig voor, maar ook problematisch gedrag van het kind tijdens de omgang van de ouder met het kind. Het kan voor het kind ook problemen geven als hij geen contact heeft met zijn ouders. De contacten m.b.t. de moeder geven duidelijk meer problemen dan de contacten m.b.t. de vader.[34]   

Een belangrijk resultaat is dat problemen in de oudercontacten, zowel m.b.t. de vader als m.b.t. de moeder, duidelijk samengaan met een hogere probleemscore voor de ontwikkeling van het kind. {De ouders op bezoek mogen niet spontaan praten, en dat voelt een ontvankelijk kind; ouders weten zich bekeken en kennen de negatieve, ondeskundige verslagen van de gezinsvoogd.  Echte deskundige begeleiding ontbreekt te vaak, evenals de juiste nazorg}.

Er is ook een duidelijk negatieve invloed van de contacten op de gehechtheids- en opvoedingsrelatie van het kind met de pleegouders, maar dit geldt alleen voor de contacten met de moeders.  Er zijn duidelijk minder problemen in de relatie met de pleegouders als er weinig problemen zijn in de contacten met de moeder.[35]    Dit verband is sterker bij de pleegkinderen van 0 t/m 5 jaar.   Dit wil zeggen dat de problemen in het contact kind-moeder bij 0-5 jarigen de relatie met de pleegouders meer negatief lijken te beïnvloeden. {Het moederlijke instinkt dient de verse moeder snel te onderdrukken, vaak zonder dat hier goede voorlichting en begeleiding voor wordt gegeven; en het ‘overtreden’ wordt de moeder verweten, en niet de gezinsvoogdij (BW1:262; IVRK 24)}

Uit de inhoudelijke analyses van de informatie uit de PSI-P’s komt naar voren waardoor de omgang tussen moeder en kind moeilijk kan zijn: het kind luistert niet, neemt een loopje met de moeder, de moeder weet niet wat te doen met het kind {,de moeder weet zich kritisch bekeken tijdens de korte bezoeken, zonder voorlichting, en dat wordt duidelijk uit het volgende}.

De contacten kunnen ook problematisch zijn door het gedrag van het kind vóór het bezoek (krijsen, zich verzetten en niet mee willen met de ouder) en/of na het bezoek (nachtmerries, terugval in functioneren, pleegmoeder niet meer uit het oog willen verliezen). Dit gedrag komt vooral voor bij de jonge kinderen (0 t/m 5 jaar), met name als de moeder hen ‘claimt’ tijdens het bezoek, bijvoorbeeld door afdwingen van lichamelijk contact, maar ook door tegen het kind te zeggen dat hij ‘vlug weer bij mama zal komen wonen’.

Als er geen contact is met de ouders lijkt het kind zich beter te ontwikkelen: PSI-scores voor het welbevinden van het kind bleken positiever te zijn als er geen contact tussen kind en ouders was {omdat het kind dan geen loyaliteitsconflict rond het moment van bezoek zal kennen; schijngedrag blijft}.[36]    

Dat betekent wellicht dat in een dergelijke situatie beter voorlopig een tijd geen contact kan zijn dan een problematisch contact {en met dit advies ont-oudert het kind, wat volgens Joseph J. Doyle, 2007, en andere wetenschappers, veel ernstiger problemen voor later veroorzaakt: “het kind met dezelfde problematiek vooraf, blijkt het beter te doen thuis met passende begeleiding dan weggezet in een pleegsetting".   Is diagnostieke voorlichting echt zo gevaarlijk voor de gezinsvoogd?}.

Bij een problematisch contact {waarbij de gezinsvoogdij geen deskundige ondersteuning en voorlichting laat inzetten} geeft de ontwikkeling van het kind meer problemen en de relatie met de pleegouders wordt bemoeilijkt, wat een negatief effect heeft op de manier waarop het kind zich kan ontwikkelen (zie boven). {Er wordt inmiddels dus niet gewerkt aan terugplaatsen}.

 

De plaats van de ouders in het leven van het kind zoals door het kind beleefd:

Bij terugplaatsing van het kind is een veelgehoord argument: ‘Het kind hoort nu eenmaal bij zijn ouder’ en/of ‘hij is altijd loyaal aan zijn ouder’. {Hier wordt niet vanuit het kind gedacht. De belangen van de latere identiteitsfase worden hier ‘vergeten’ (immers het gaat hier om kinderen tot ca. 11 jaar nog maar), en eveneens ‘vergeten’ dat onder deskundiger begeleiding wel degelijk het kind gefaseerd teruggeplaatst kàn worden; maar kennelijk is dat niet in het belang van de G.I./BJZ}.

Aan het begrip ‘loyaliteit’ worden veel betekenissen gegeven en dientengevolge worden daar ook uiteenlopende conclusies aan verbonden. Vaststaat dat heel weinig onderzoek is gedaan naar het begrip loyaliteit — in tegenstelling tot het begrip gehechtheid (hechtingsfase tot ca. het 5e jaar).[37]    Door de Hongaars-Amerikaanse gezinstherapeut, Boszormeny-Nagy (hierna: Nagy)[38]  is over loyaliteit (ook na het 5e jaar) geschreven en vele therapeuten volgden in zijn voetsporen, maar er is geen wetenschappelijk onderzoek gedaan naar het begrip loyaliteit noch naar de invloed daarvan op de relatie ouder-kind.

Nagy maakt onderscheid in ‘zijnsloyaliteit’ en ‘verworven loyaliteit’.   Zijnsloyaliteit is de existentiële verbondenheid tussen ouder en kind vanwege de bloedband {en m.b.t. de latere identiteitsfase}. Deze band is onverbrekelijk en verwijst naar de identiteit van het kind.  Het begrip heeft bij Nagy geen emotionele betekenis, evenmin als het begrip ‘verworven loyaliteit’.  Het zijn rationele begrippen, in het kader van een boekhoudkundig ‘geven en nemen’ {alsof een kind boekhouder is}. De ouder verkrijgt ‘verworven loyaliteit’ als hij het kind passende zorg geeft. Geeft de ouder geen passende zorg, dan kan men volgens Nagy een negatieve relatie van het kind met zijn ouder verwachten.[39]    Nagy spreekt niet over emotionele loyaliteit van het kind aan zijn ouder.

 

Onderzoek naar loyaliteit bij het [jonge] kind:

Om zicht te krijgen op emotionele loyaliteit van het pleegkind aan ouders en pleegouders, is een onderzoek gedaan naar de betekenis van de ouder en van de pleegouder in de beleving van het pleegkind aan de hand van 60 Relatie Diagrammen uit het PSI.[40]  

De frequentie van de oudercontacten blijkt geen duidelijke invloed te hebben op de plaats van de ouders in het Relatie Diagram.

Het blijkt dat de jong (met 0 à 2 jaar) geplaatste kinderen veel minder vaak hun ouder in de 1e cirkel van het Relatie Diagram plaatsen dan de ouder (met 8 à 10 jaar) geplaatste kinderen.[41]   Dezelfde tendens is te zien bij de lang (5-10 jaar) en kort (0-2 jaar) geplaatste kinderen. {Het ont-ouderen door de uithuisplaatsing zonder diagnostisch onderzoek op terugplaatsing te verlengen, heeft dus tijdelijke voordelen voor de pleegouders. Uit ander onderzoek blijkt dat oudere opgroeienden wel problemen krijgen wegens hun identiteitsgevoel. https://jeugdzorg.wixsite.com/jeugdzorg/verband-pleeg-en-adoptie-problemen}.   

Ook blijken de jong geplaatste kinderen, vaker dan de ouder geplaatste kinderen, hun ouders helemaal niet meer in het Relatie Diagram te zetten, terwijl zij dat wel doen bij hun pleegouders.[42]  {Dit toont aan dat de jònge pleegkinderen nog niet bewust zijn van wie ouders zijn.  Voorlichting heeft invloed, evenals hoe de test met het afhankelijke kind wordt afgenomen}

De plaats van de ouders in het leven van het kind blijkt minder vanzelfsprekend te worden en de betekenis van de pleegouders neemt, in vergelijking met de ouders, toe naarmate het kind langer in het pleeggezin woont en hij daar jonger is geplaatst {en dat kan gemeten worden wanneer men het pleasen door de opgroeiende vergeet ook te meten. Het jonge kind is gaan begrijpen dat het niet terug mag en dus afhankelijk is van de pleegopvoeders.  Dit onderzoek van Weterings stopte bij 11 jaar en neemt dus niet de identiteitsfase van een adolescent mee!!!   Meer informatie op https://jeugdbescherming.jimdo.com/adoptie-en-pleegzorg/loyaliteit/ en daar meer}.

Echter, bij de jong geplaatste, respectievelijk lang verblijvende kinderen blijken de pleegouders toch niet altijd als vanzelfsprekend de belangrijkste personen in hun leven te worden. Niet alle pleegkinderen die reeds enkele jaren in het pleeggezin wonen, zetten hun pleegouders in het Relatie Diagram, al dan niet in de 1e cirkel.

Bij bijna de helft van de 60 kinderen komen loyaliteitsproblemen voor.

Loyaliteitsconflicten hebben een negatief effect op de emotionele ontwikkeling van het kind en kunnen ook de relatie met de pleegouders negatief beïnvloeden omdat het kind niet weet op welke persoon hij zich richten kan of mag. {Weet een jong kind dit juridische aspect echt al?  Is de ‘jeugdzorg’ zo ondeskundig en rigide om het kind niet het idee te geven dat diens hart groot genoeg is voor meer dan twee (pleeg)personen?  Bij adoptie leren de aspirantouders dat het gezond is voor de geadopteerde dat het hart groot genoeg mag zijn voor de biologische en de adoptiefouders}.

Verder blijkt het kind ook zelf aan te geven dat de contacten met zijn moeder de relatie met zijn pleegouders duidelijk negatief beïnvloedt:  als zij in het Relatie Diagram staat, geeft de

relatieontwikkeling tussen kind en pleegouders meer problemen. Anders gezegd: naarmate de gehechtheids- en opvoedingsrelatie van het kind met zijn pleegouders minder problemen geeft, zet het kind zijn moeder minder vaak in het Relatie Diagram.[43]   {Het pleasen van de persoon waaraan het pleegkind afhankelijk is vertekent dus de uitleg van de test}.

7. Slotbeschouwing

Begin van de plaatsing

Het kan niet? gezegd worden dat lichtvaardig uit huis wordt geplaatst, integendeel. {Dit kan beweerd worden als advies naar rechters omdat het onderbouwd wordt met de volgende insinuatie: dat de ouders ‘al zo lang hulpverlening hebben verkregen’,  zònder het niveau en inhoud daarvan te benoemen. Zònder aan te hoeven tonen dat de ouders de juiste, deskundige voorlichting hebben verkregen. Vaak wordt het woordje “intensief”, of ‘intensieve hulpverlening’, gebruikt om het gebrek aan diagnostiek en gebrek aan voorlichtingsplicht te vermijden. En daar ligt een knelpunt, wat prof.dr. R.J. van der Gaag onderkende, waarbij hij adviseerde diagnostische zwaargewichten vòòr de toegangspoort tot dwangzorg te zetten}.

Er wordt zeer veel en langdurig hulp verleend aan het gezin.{!!?  Ondeskundige bemoeizorg van jeugdzorgwerkers is niet enthousiasmerend en niet inhoudelijk om van te leren, ondervinden ouders.  De consequenties tussen de alternatieven die gekozen kunnen worden, worden evenmin uitgelegd.  Er wordt al te vaak maar één alternatief voorgelegd: de beschermingstafel, de Raad voor de kinderbescherming, om tot dwangzorg te komen wanneer ouders niet gehoorzamen of wanneer ouders aan hun plicht in BW1:247 voldoen en zelf met een kwalitatief hoogwaardiger alternatief aankomen (naar IVRK 24), en daarbij wordt dit in bedreigende taal, afdreigend, om de neus gesmeerd van de ouders die zich timide dienen te gedragen volgens menige uitspraak van gezinsvoogden. Kennelijk willen gezinsvoogden niet door de mand vallen waar er echte diagnostiek zou moeten worden bedreven of verzocht wordt door ouders. Waar de ouders echte open diagnostiek wilden, is dat in de huidige praktijk vaak gesaboteerd door de jeugdzorg, of heeft een ketenpartner van de G.I. sturende, gesloten onderzoeksvragen voorgelegd verkregen vanuit de gezinsvoogdij waar de uitkomst al vastligt naar wens van de gezinsvoogd.  Ouders voelen zich niet ‘ondersteund’. Wetsartikel BW1:262 (sinds 2015: https://jeugdbescherming.jimdo.com/wetten-en-regelgeving/bw-awb-rv-regels/ ) wordt niet naar inhoud herkend.  Hier kan een onderzoekend rechter (of Rechter-Commissaris voor jeugdzorg) zeker naar kundig bewijs vragen, zwart op wit}.

Hoewel het een adequaat beleid is om een kind uit huis te plaatsen als de ouders ernstig

disfunctioneren, wijzen de gegevens in de richting van een beleid waarin men tracht de ouders te ondersteunen in de verwachting dat de relatie met het kind dan ook zal verbeteren. {Verwachten zonder inzet van BW1:262, is niet het kindbelang dienen}.

Gezien de cijfers over de ontwikkelingsproblemen van pleegkinderen bij hun komst {gehaald uit vertekenende dossiers van de BJZ/G.I. zelf} in het pleeggezin heeft de ‘langdurige’ hulp vóór de uithuisplaatsing de problemen van het kind niet opgelost. Men richt zich voornamelijk op het functioneren van de ouders (Tabel 1). Men kan daarbij uit het oog verliezen dat het {axiomale} ‘langdurig disfunctioneren van de ouder’ een negatief effect heeft op het functioneren van het kind.  {Een axioma kan vals zijn, zoals hier bewezen door andere wetenschappelijke onderzoeken.   De gezinsvoogdij heeft te weinig oog voor “De gecertificeerde instelling bevordert de gezinsband tussen de met het gezag belaste ouders of ouder en de minderjarige”, aldus lid 3 art. 262 BW1}.

Men heeft te weinig oog hoe het met het kind gaat.[44]  

Men lijkt zich ook meer te richten op het functioneren van de ouder als [bekritiseerde]  volwassene dan op de ouder als ouder in zijn relatie tot het kind {met de veelgehoorde klacht dat er – vooraf – er geen hoogwaardige diagnostiek werd verricht en geen voorlichting werd verstrekt op niveau }.

Het blijkt dat, als de problemen eenmaal zijn begonnen, zij zich vrijwel altijd voort zetten (en ook erger te worden) totdat het kind uit huis geplaatst wordt. {Dit is althans de bewering van jeugdzorgwerkers in de dossiers die zijn gebruikt. Waar zijn de diagnostische rapporten op open onderzoeksvraagstelling? https://kinderbescherming.jimdo.com/informatie/onderzoeksvragen-open/ }.

Door zich vooral te richten op de ouder als volwassene kan de langdurige hulp te weinig effect hebben op de ontwikkelingsproblemen van het kind. De [jeugd]hulp helpt het kind te weinig. Dit wijst in de richting van het nut om intensieve hulp {liever: diagnostiek verantwoorde hulp, voorlichting en/of therapie} te verlenen gericht op de omgang tussen ouder en kind, en daarbij regelmatig [diagnostisch] na te gaan of de gegeven hulp ook effect heeft op het functioneren van het kind en, als dat niet het geval is, niet jaren te wachten met een uithuisplaatsing. Voor de inschatting van de kans van slagen kunnen het aantal interferenties in de ouder-kindrelatie meewegen en de vraag op welke leeftijd van het kind de problemen zijn beginnen. {In plaats van gokken, inschatten, kan er gediagnosticeerd worden; de geadviseerde diagnostieke nulmeting die R.J. van der Gaag voorstelde**}.

 

Perspectief van de plaatsing:

De gerichtheid op het functioneren van de ouder bij de uithuisplaatsing blijkt zich door te zetten bij het  beleid ten aanzien van het perspectief voor het pleegkind {of het gesubsidieerde perspectief van de G.I., gelet op pagina 93 derde streepje van het rapport "Is de zorg gegrond?" van de Kinderombudsman in 2013: de "perverse prikkel", zeker overwegende dat meer en meer kinderen niet teruggeplaatst worden,  zonder diagnostisch-therapeutisch onderzoek en zonder voorlichting.  Vaak was de bezoekregeling tussen kind en ouders zo matig dat zowel kind als ouders niet met elkaar mee konden groeien, en werd er daarvoor geen therapeutische en voorlichtende ondersteuning verstrekt (BW1:262, en doel van BW1:255 in MvT)}.   Men richt zich — zoals bij de uithuisplaatsing — op het functioneren van de ouder, aan de hand van [sociale] vragen zoals: ‘kan de ouder zelfstandig een huishouden voeren’? ‘Is zijn leefsituatie stabiel’? ‘Staat hij open voor hulp’?[45]  {Dit zijn dus allemaal invullingen die een diagnostiek-onbevoede jeugdzorgwerker wist in te vullen op afvinklijstjes}.  

Het doel van de OTS is:  zorgen dat de ouder zelf weer de verantwoordelijkheid voor de opvoeding op zich kan nemen {en dat zonder toveren!? - BW1:262?!}. De termijn voor terugplaatsing is dan ook veelal ‘onbepaald’, ‘totdat de ouder het weer aankan’. {Daartoe moet om de “ernstige bedreiging van de ontwikkeling” uit de tekst van BW1:255 actief met inspanningsverplichting uit de jeugdwet benaderd worden met de inzet van BW1:262, en wel zo spoedig mogelijk, want de overheid houdt zich aan het kinderrecht artikel 24 lid 1: de onbelemmerde toegang tot de hooggekwalificeerde gezondheidszorg. Men dient uit te gaan dat ouders onder nette, eerlijke bejegening leerzaam zijn. Ouders tegen zich in het harnas jagen is een onjuiste bejegening. Doorverwijzen naar een specialist mag, is zelfs naar kinderrecht een must bij zorgen, en werkt gunstig bij de nodige voorlichting die ouders dan noden}.

Te weinig realiseert men zich welke gevolgen het heeft als de relatie kind-pleegouders bij voortduring ter discussie staat. Hierdoor weten kind en pleegouder niet of zij zich op elkaar kunnen en mogen richten. {Waarom laat de gezinsvoogdij dit ondeskundig voortduren zonder de juiste voorlichting?}.

Dit werkt belemmerend op de relatie en daarmee op de ontwikkeling van het kind.

{Weer wordt het axioma herhaald dat de problemen bij aanvang wegplaatsing, die beweerd worden in de jeugdzorgdossiers, valide zouden zijn en de ouders langdurig onnozel:}

De ontwikkelingsproblemen van het kind bij zijn komst in het pleeggezin, blijken omvangrijk,

diepgaand en langdurig.?!

Het duurt vijf jaar voordat het kind zich ‘richting normaal’ heeft ontwikkeld [in de pleegsetting]. {Dit geeft de rechter te denken! De wetenschappelijke inzichten van arts U. Gresser zijn ze gek nog niet.  Is het aanwijzen van een echte deskundige (Rv810a) niet effectiever dan uithuisplaatsen met deze kennis?!  Gegeven axioma’s willen doen vermoeden en suggereren, dat de beweerde problemen debet zijn aan met name de ouders, en niet aan de ondermaatse kwaliteit van de hulpinzet van jeugdhulp:}

Dit is een indicatie? voor de langdurige, en daarmee ernstige, verwaarlozing van het kind door zijn ouders?. De kans dat de gehechtheids- en opvoedingsrelatie tussen kind en ouder hersteld kan worden, wordt hierdoor kleiner. {De echte deskundige hulp wordt dus te laat verstrekt, zo erkent deze schrijver. Er volgen meer suggesties door te axiomeren:}

Toch wordt de relatie tussen kind en pleegouders dikwijls langdurig ter discussie gesteld: bij bijna {slechts} een kwart van de kinderen die vijf jaar of langer in het pleeggezin wonen, wordt terugplaatsing overwogen.[46]    De relatie met de pleegouders — de ‘katalysator’? voor de ontwikkeling van het kind — wordt daardoor belemmerd?, en daarmee de ontwikkeling van het kind. De begrenzing van de OTS in de overweging tot ontheffing na 1½ jaar uithuisplaatsing van het kind (zoals in de nog tot 1 januari 2012 gelden wetgeving is geregeld), is nog niet vaak beleidsmatig als regel toegepast, maar zou helend kunnen werken voor de mogelijkheden voor ontwikkeling van het kind. {Uit voorgaande opmerkingen blijke dat dit voor later belang een vooroordeel blijkt. Is prejudiciëren door de ‘jeugdzorg’ wel de kwaliteit van zorg die de overheid voor ogen heeft?}.

 

Loyaliteit:

In verband met het bepalen van het perspectief van een pleeggezinplaatsing, is het nuttig het begrip ‘loyaal aan de ouder’ bij te stellen. Een kind blijft altijd loyaal aan zijn ouder in existentiële zin in verband met zijn identiteit. {Hier erkent de schrijver dat het latere belang van identiteitsgevoel en -ontwikkeling bestaat}.

Emotionele loyaliteit is echter van een andere orde en wordt vooral bepaald door de passende wijze waarop de ouder met het kind omgaat. {Hier gaat het dus om afhankelijkheid aan de pleegopvoeders ad hoc.  Ouders kunnen deskundig voorgelicht worden, ook op papier verstrekt, als bewijs bij de rechter, en kunnen tijdens het ‘verbeteren’ dan daarmee rekening houden ten dienste van de opgroeiende. Uit onderzoek blijkt het merendeel van de ouders leerzaam}.

Naarmate het kind langer in een pleeggezin verblijft, neemt de betekenis van de ouders af. {Althans de schijn, gezien de testmethode. Let wel, rechters lezen ondeskundig deze suggesties, die zo hersenspoelend werken zonder het blauwe!  De conclusie geldt hooguit voor jonge kinderen:}

Er is dan in toenemende mate sprake van een (selectieve) gehechtheidsrelatie met de pleegouders met minder emotionele loyaliteit van het kind aan zijn ouder. {Het jeugdzorgbeleid dient dus deskundiger te worden middels het tijdiger inschakelen van echte deskundigen die het gezinssysteem helpen en onderzoeken, en jeugdrechters kunnen middels bewijsstukken onderzoeken of deze hulp dan ook is geboden aan de ouders; https://jeugdbescherming.jimdo.com/kwaliteit/wat-rechters-niet-willen-weten-meten/ }.

 

Terugplaatsingstrajecten:

Terugplaatsingstrajecten kunnen het beste ingezet worden als het kind nog emotioneel gebonden is aan zijn ouders — dus kort na de uithuisplaatsing {of door een voldoende deskundige omgangsregeling zolang het nodig is met voldoende inzet. Bijgevolg dienen de ouders deskundige voorlichting tijdig te verkrijgen naar BW1:262 = sinds 2015; voorheen BW1:257oud}.

Beter functioneren van de ouder na de uithuisplaatsing betekent echter niet vanzelfsprekend dat de ouder ook sensitief en responsief in kan gaan op de signalen van het kind. Daar zal extra ‘intensieve’ {dus eigenlijk diagnostisch-therapeutische} hulp gericht op de interactie ouder-kind bij nodig zijn.

De vraag van de ouder om terugplaatsing is ook dikwijls gebaseerd op het feit dat het kind zich na een of enkele jaren in het pleeggezin ‘beter gedraagt’. {‘Beter’ naar de mening van een onbevoegde is niet per se beter.  Schijngedrag komt vaak voor.  Ook secundaire hechtingsstoornis kan zijn ontstaan, maar daarvoor is specialisme nodig om dat te meten. FJR2012/95}.

De ouders verwachten dan dikwijls dat zij dàt kind in huis krijgen. Dit is geenszins het geval. Ten eerste heeft het kind een trauma door het verlies van zijn pleegouders {en eerder door het verlies van diens ouders}, waardoor hij zich moeilijk zal gedragen. Maar bovendien zijn de ouders vaak niet in staat met hem om te gaan zoals de pleegouders met hem omgingen. Hij zal ook om deze reden anders op zijn ouders reageren dan op zijn pleegouders. {Verzwegen is de mogelijkheid tot gefaseerde terugplaatsing onder deskundigheid, waardoor dit knelpunt wordt ondervangen. Het kan zelfs zo zijn dat de pleegouders in het leven van het kind blijven als een soort oom en tante, en er gelogeerd kan worden}.

 

Contacten met de moeder:

Het benoemde gedrag van de moeder is vooral moeilijk voor jonge kinderen. Het kan hen onrust en verwarring geven, maar ook angst oproepen zijn pleegouder, zijn gehechtheidspersoon, te verliezen. {Dit duidt dus op òndeskundige begeleiding door de ‘jeugdzorg’}.

Zijn bestaan wordt bedreigd {zo doet de schrijver voorkomen}. Het pleegkind uit zijn angst bij terugkomst in zijn vertrouwde situatie, het pleeggezin, door gedrag waaruit stress en angst naar voren komt. Vanuit de gehechtheidstheorie is het negatieve gedrag van het kind adequaat te noemen. Het is de uiting van het kind dat hij niet weg wil van zijn gehechtheidspersoon. Bovendien roept de mededeling van de pleegouder bij het kind de vraag op:   houdt mijn pleegouder dan niet meer van mij? Ben ik stout geweest? {Het is de vraag of dit wel een taak is voor onbevoegden zoals de pleegouders! Deze vragen spelen al bij het uithuisplaatsen van de ouders vandaan naar een vreemde setting voor het kind}.

Dit roept onzekerheid op over de liefde en betrokkenheid van de (pleeg)ouder én over zijn eigen functioneren. De verwarring en stress bij het kind wordt hierdoor nog versterkt. Als het kind daadwerkelijk graag bij zijn ouder zou willen wonen, zouden de bovengenoemde stressfactoren veel minder of geen rol spelen. {Axioma, wegens het niet noemen van deskundige begeleiding in het beleid}.

Als de ouder de relatie van het kind met zijn pleegouder niet ter discussie stelt — zoals een groot deel van de vaders doet — dan geven de contacten veel minder problemen en kan het kind ‘ongestoord’ blij zijn diens ouder te zien. In een dergelijke situatie wordt dan ook herhaaldelijk door de pleegouder gemeld dat het kind blij is zijn ouder te zien, dat er een ‘klik’ is tussen hen en dat zij genieten van het contact.

 

De stem, de signalen van het kind:

Op basis van de signalen van het kind kan de sensitiviteit van de ouder verbeterd worden om

uithuisplaatsing te voorkomen of om een terugplaatsing mogelijk te maken. Op basis van deze signalen kan ook de interactie tussen kind en pleegouder bevorderd worden, vooral als het kind door zijn verwaarlozing soms ‘onbegrijpelijke’ signalen geeft.

Voor het herkennen en begrijpen van de signalen van het kind is kennis maar ook enige training nodig. {“Enige training” van jaren op artsenniveau. Er zijn specialisten die de hechtingstherapie kunnen verschaffen.  FJR2012/95 noemt in voetnoten diverse mogelijkheden}.

Door aandacht te besteden aan de signalen, de ‘stem’, van het kind kan bevorderd worden dat binnen de jeugdbescherming meer beslissingen genomen kunnen worden die de ontwikkeling van het kind bevorderen — de {verwijzings}taak van de jeugdbescherming.  

 

Voetnoten:

[1]

Dr. A.M. Weterings is werkzaam bij het Expertise Centrum Kind in de Pleegzorg en was voorheen werkzaam als senior onderzoeker pleegzorg aan de Universiteit Leiden, Afdeling Orthopedagogiek.  Dr. P.M. van den Bergh is werkzaam bij de Universiteit Leiden, Afdeling Orthopedagogiek.

[2]

E.C.C. Punselie, ‘Hoorrecht van jonge kinderen’, FJR 2010/68 p. 177; C.A.R.M. van Leuven, ‘De stem van het kind’, FJR 2007/86 p. 208-212.

[3]

C. Rus, ‘Wie luistert naar het kind?’, MGv 2009, 12, 64, p 1105-1118. Dit artikel is een indringend voorbeeld hoe voorbij gegaan kan worden aan de stem van een jong kind.

[4]

De voorbeelden in dit artikel zijn ontleend aan rapporten van Bureau’s Jeugdzorg en zorgaanbieders, ter beschikking gesteld aan de auteur i.v.m. adviezen aan rechtbanken en uit de onderzoeken gedaan met het PSI (zie paragraaf 2).

[5]

Naar het kind wordt, vanwege de leesbaarheid, verwezen met ‘hij’. Hetzelfde geldt voor ‘de ouder’. Dit kan de vader, de moeder of beiden zijn.

[6]

P.M. van den Bergh & A.M. Weterings, Dossieronderzoek 2009, Leiden, Universiteit Leiden, Afd. Or-thopedagogiek 2010. Deze rapportage is met name gebaseerd op drie afstudeerscripties van V.A.C.B. Dalm, R. Schuurman en L. Van Arkel in 2009. Alle  genoemde MA-scripties in dit artikel zijn afkomstig van de Universiteit Leiden, Afd. Orthopedagogiek;  {Maar ook: Kinderombudsman, die vele fouten vond en zich afvroeg of er sprake is van een ‘perverse prikkel, p.93, 2013, Is de zorg gegrond?, op http://www.dekinderombudsman.nl/92/ouders-professionals/publicaties/rapport-is-de-zorg-gegrond/?id=325 }.

[7]

De PSI’s zijn door de (17) instellingen ter beschikking gesteld aan de Universiteit Leiden. Alle PSI’s zijn opnieuw gescoord door Weterings om een eenduidige scoring te verkrijgen. Er zijn in totaal 180 PSI-P’s, 69 PSI-UHP’s en 91 PSI-G’s geanalyseerd door studenten Orthopedagogiek aan de Universiteit Leiden èn door de auteur. Door het totaal aantal punten op de ene lijst in verband te brengen met het totaal aantal punten op een andere lijst, kunnen correlaties berekend worden en nagegaan of het verband duidelijk, significant, is. Als significantieniveau is aangehouden: p = .05 tot p = .001. In het onderhavige artikel worden alleen significante verbanden vermeld, en geformuleerd als: ‘een duidelijk verband’.

[8]

De aantallen geanalyseerde PSI’s loopt uiteen omdat verschillende mensen hiermee gewerkt hebben. Het minimumaantal is 50 en het maximum 116. Bij BJZ zijn 150 dossiers onderzocht.

[9]

Bij het vooronderzoek bleek dat slechts een klein percentage van de kinderen ‘vrijwillig’ was geplaatst. Om een homogene onderzoeksgroep te krijgen zijn deze kinderen niet in het onderzoek opgenomen. Het bleek dat een derde van de kinderen uit huis was geplaatst met een VOTS.

[10]

Uit de analyses blijkt dat er nauwelijks verschil is tussen vrijwillig en justitieel geplaatste kinderen.

[11]

L. Kastelein, Van probleem tot uithuisplaatsing (MA-scriptie Leiden), Leiden 2010. Zij analyseerde 63 PSI-UHP’s, afgenomen bij de ouders.

[12]

P.M. van den Bergh & A.M. Weterings, Dossieronderzoek 2009, Leiden, Universiteit Leiden, Afd. Orthopedagogiek 2010.

[13]

S. Helder, De Relatieontwikkeling tussen ouder en kind en de Zorg in het dagelijks leven bij ouders met een kind in een pleeggezin of in een internaat (MA-scriptie Leiden), Leiden 2007.

[14]

M. Moene, De beleving van ouders van de problematische opvoedingssituatie (MA-scriptie Leiden), Universiteit Leiden, Afd. Orthopedagogiek 2011.

[15]

M. Moene, De beleving van ouders van de problematische opvoedingssituatie (diss. Leiden), Leiden 2011.Uit een onderzoek bij 130 dossiers van Bureau’s Jeugdzorg komt naar voren dat 33% van de kinderen opnieuw uithuis wordt geplaatst na een terugplaatsing (en dat de Raad voor de Kinderbe-scherming slechts bij 34% een terugplaatsing heeft getoetst, waarvan driekwart achteraf, en geen enkele maal middels eigen onderzoek) K. Dankaart, Besluitvorming en het beëindigen van pleeggezin-plaatsingen, (MA-scriptie Leiden), Leiden 2011.

[16]

Uit het onderzoek van Jonkeren (2008) met het PSI-G afgenomen in problematische opvoedingssituaties als het kind thuis woont, blijkt dat er een significant verband bestaat tussen het aantal interferenties in de ouder-kindrelaties en de ontwikkeling van de relaties tussen ouders en kind vanaf zijn geboorte. (r(38)= .41; p <.05). M. Jonkeren, De invloed van interferenties in de omgang tussen ouder en kind op de ontwikkeling van de ouder-kind relatie, (MA-scriptie Leiden), Leiden 2008Afd. Orthopedagogiek.

[17]

H.J.H. Van Duijn,Groeien in een pleeggezin, (MA-scriptie Leiden), Leiden 2009.

[18]

A.M. Weterings, Ontwikkeling van pleegkinderen vlg. 61 PSI-P’s. Leiden, Universiteit Leiden. Interne Notitie 2010.

[19]

J. Bowlby, Maternal Care and mental health and Deprivation of maternal care, New York: Schocken 1966; C. Schuengel, Een veilige basis voor de orthopedagogiek. Amsterdam, Vrije Universiteit, 2000; D. Van den Boom, Ouders op de voorgrond, Utrecht: Sardes 1999; M.H. van IJzendoorn, Gehechtheid van ouders en kinderen, Houten: Bohn Stafleu Van Loghum 1994; M.H. van IJzendoorn & M. Bakermans-Kranenburg, Gehechtheid en trauma, Amsterdam. Hogrefe Uitgevers 2010.

[20]

M.H. van IJzendoorn, Gehechtheid van ouders en kinderen, Houten: Bohn Stafleu Van Loghum 1994, p. 25 e.v.

[21]

F. Juffer, ‘Beslissingen over kinderen in problematische opvoedingssituaties. Inzichten uit gehecht-heidsonderzoek, Raad voor de Rechtspraak’, Research Memoranda 2010, nr. 6, Jrg. 6; N.P. Rygaard, Severe attachment disorder in childhood, Wien/New York: Springer 2006; J. Strijker & E.J. Knorth, ‘Verplaatsing van pleegkinderen’, Kind en Adolescent, 2007-28, p. 32-45; Van den Dries, L., Juffer, F., Van IJzendoorn, M.H. & Bakermans-Kranenburg, M., ‘Fostering Security? A meta-analysis of attach-ment in adopted children’, Children and Youth Services, Review 31, 2008, 410-421; J. Vanderfaeillie & F. van Holen, ‘Het verloop van pleeggezinplaatsingen’, in: P.M. van den Bergh & A.M. Weterings (red.), Pleegzorg in Perspectief, (Leiden), Assen: Van Gorcum 2010, p. 177-193.

[22]

A.M. Weterings, ‘Pedagogische Criteria Jeugdbescherming’, Den Haag, Ministerie van Justitie 1999; P.M. van den Bergh & A.M. Weterings, Pleegzorg, Jeugdzorg voor het kind, Utrecht: Agiel 2007.

[23]

Kinderen, die in een verwaarlozende situatie opgroeien, mishandeld of misbruikt worden, kunnen zich moeilijk ontwikkelen, omdat zij hun energie moeten steken in het overleven in een beangstigende situatie.

[24]

Dit blijkt uit vergelijking met ontwikkeling van kinderen die in tehuizen moeten opgroeien. F. Juffer, Leiden, ‘De ontwikkeling van geadopteerde kinderen en de betekenis voor pleegzorg’, in: P.M. van den Bergh & A.M. Weterings (red.), Pleegzorg in Perspectief, Assen: Van Gorcum 2010, p 25-34; M.H. van IJzendoorn & F. Juffer, ‘Adoptie als interventie (1)’, in: Kind & Adolescent 2008-29, p.17-30; F. Juffer & M.H. van IJzendoorn, ‘Adoptie als interventie (2). Meta-analytische evidentie voor de opmerkelijke inhaalslag van adoptiekinderen en de plasticiteit van hun ontwikkeling’, in: Kind & Adolescent 2008-29, p. 31-49.

[25]

C.L. Bokhorst, Attachment in twins (diss. Leiden), Leiden: Mostert & Van Onderen! 2004. Zij deed onderzoek naar een- en twee-eiige tweelingen. Twee-eiige tweelingen ontwikkelen, net als een-eiige tweelingen, een soortgelijke gehechtheidsrelatie met hun ouder. De genen bepalen dus niet de aard van de gehechtheidsrelatie, maar de sensitiviteit van de ouder.

[26]

M. Dozier & O. Lindhiem, ‘This is my child: Differences among fosterparents in commitment to their young children’, in: Child maltreatment, Sage Publications, 2006-11, p. 338-345. G. Schofield & M. Beek, ‘Providing a secure base: parenting children in longterm foster care’, Attachment and human development, 2005-7, p. 3-25. M.H. van IJzendoorn, ‘Gehecht aan pleegouders’, in: P.M. van den Bergh & A.M. Weterings (red.), Leiden, Pleegzorg in Perspectief, Assen: Van Gorcum 2010, p. 13-23.

[27]

M.H. van IJzendoorn, ‘Gehecht aan pleegouders’, in: P.M. van den Bergh & A.M. Weterings (red.), Leiden, Pleegzorg in Perspectief, Assen:  Van Gorcum 2010, p.18.

[28]

G. Schofield, ‘Resilience and family-placement: a lifespan perspective’, in: Adoption and Fostering 2001, Vol. 25, nr. 3 , 6-19 (NB. Het gaat hier over pleegzorg, niet specifiek over netwerkwerkpleeggezinplaatsingen.) A.M. Weterings, Het pleeggezin als opvoedingssituatie (diss.), Groningen: VRB Druk-kerijen 1977.

[29]

Het gemiddelde aantal ontwikkelingsgebieden waarbij zich problemen voordoen als het kind in het pleeggezin komt — de ontwikkelingsscore — is ten tijde van het verblijf gedaald van 2,3 naar 1,8. Dit verschil is significant. (P.M. van den Bergh & A.M. Weterings, Dossieronderzoek 2009, Leiden, Universiteit Leiden 2010. Op drie gebieden blijken zij duidelijk vooruit te zijn gegaan: op lichamelijk en emotioneel gebied en bij het sociaal functioneren. V.A.C.B. Dalm, Netwerkpleeggezinnen en bestandspleeggezinnen (MA-scriptie Leiden), Leiden, Universiteit Leiden 2009.

[30]

J. Mouissie, Het pleegkind in ontwikkeling (MA-scriptie Leiden), Leiden, Universiteit Leiden 2006; P.M. van den Bergh & A.M. Weterings, ‘De ontwikkeling van kinderen in een pleeggezin’, in: P.M. van den Bergh & A.M. Weterings (red.) Pleegzorg in perspectief, Ontwikkelingen in theorie en praktijk, Assen: Van Gorcum 2010, p.57-81. H.J.H. Van Duijn, Groeien in een pleeggezin (MA-scriptie Leiden), Leiden, Universiteit Leiden 2009.

[31]

A.A.M. Huijg, Pleegzorg, de ontwikkeling van pleegkinderen, de relatieontwikkeling tussen pleegkind en pleegouders en de invloed van het oudercontact (MA-scriptie Leiden), Leiden, Universiteit Leiden 2010; H.J.H. van Duijn, Groeien in een pleeggezin (MA-scriptie Leiden), Leiden, Universiteit Leiden 2009.

[32]

gehechtheids- en opvoedingsrelatie heeft méér invloed op de ontwikkeling van het kind dan de duur van de plaatsing, de aard van de interactie tussen pleegouder en kind of de aard van de contacten met de moeder, hoewel ook deze factoren goede voorspellers zijn (Huijg 2010). NB.: De vragenlijst voor de oudercontacten is voor de vader en voor de moeder gelijk. Zij worden apart afgenomen, ook als de ouders samen wonen.

[33]

A.A.M. Huijg, Pleegzorg, de ontwikkeling van pleegkinderen, de relatieontwikkeling tussen pleegkind en pleegouders en de invloed van het oudercontact (MA-scriptie Leiden), Leiden, Universiteit Leiden 2010; P.M. van den Bergh & A.M. Weterings, Dossieronderzoek 2009, Leiden, Universiteit Leiden 2010. Met de vaders heeft 60 resp. 50% van de kinderen contact en met de moeders 83% resp. 80%.  De cijfers uit het dossieronderzoek blijken iets lager te liggen dan in de PSI’s.

[34]

A.A.M. Huijg, Pleegzorg, de ontwikkeling van pleegkinderen, de relatieontwikkeling tussen pleegkind en pleegouders en de invloed van het oudercontact (MA-scriptie Leiden), Leiden, Universiteit Leiden 2010. De omgang tussen de ouder en kind en het gedrag van het kind tijdens de bezoeken geeft bij 55% van de kinderen problemen met de vader en met de moeder in 70%. In het navolgende wordt daarom voornamelijk ingegaan op contacten met de moeder.

[35]

A.A.M. Huijg, Pleegzorg, de ontwikkeling van pleegkinderen, de relatieontwikkeling tussen pleegkind en pleegouders en de invloed van het oudercontact (MA-scriptie Leiden), Leiden, Universiteit Leiden 2010. A. Sitskoorn, De validiteit van het Pedagogisch SignaleringsInstrumentarium, Leiden, Universiteit Leiden 2011.

[36]

A.M. Weterings, Het pleeggezin als opvoedingssituatie. Een empirisch vervolgonderzoek naar de ontwikkeling van de

opvoedingsrelatie van voogdijpupillen van 15-18 jaar, Groningen: VRB Drukkerijen 1977. Als er geen contact was, waren de scores voor het welbevinden van de jongere duidelijk beter. De scores voor de relatieontwikkeling tussen pleegouders en kind bleken duidelijk het meest positief bij de groep die nooit contact met de ouders had gehad (p. 168-182). Inhoudelijke analyse wees ook toen (in 1975) op het belang van het kader waarin de oudercontacten plaatsvinden en dat het pleegkind lijdt onder de onzekerheid van zijn verblijf bij pleegouders, die met name tot uiting komt in de aard van de contacten met zijn ouders.

[37]

P.M. van den Bergh, A.M. Weterings & M. Schoenmakers, ‘Gehechtheid en loyaliteit bij pleegkinderen: een analyse vanuit de theorie en de praktijk’, in: TOKK, Den Haag, Acco Nederland 2011, p. 128-143.

[38]

I. Boszormenyi-Nagy & B.R. Krasner, Between give and take, New York: Bruner Mazel 1986. Het boek is bijna geheel gebaseerd op gezinstherapeutische analyses van de relatie tussen ouder en kind.

[39]

Het kind is dan ‘destructief gerechtigd’. Destructieve gerechtigdheid kan zich uiten in een negatieve relatie met zijn ouder, of met een ander, en in problematisch gedrag. De begrippen van Nagy zijn pedagogisch niet goed bruikbaar.

[40]

Dit onderzoek is uitgevoerd door A.M. Weterings, Loyaliteit bij pleegkinderen, Leiden, Universiteit Leiden, Interne Notitie 2011. Het Relatie Diagram bestaat uit 4 concentrische cirkels om het kind heen. In de 1e cirkel staan de belangrijkste personen, in de 4e de minst belangrijke. Het kind kan zelf zeggen wie van belang voor hem zijn. Tijdens de afname mag het kind niet gevraagd worden of, en zo ja waar, hij zijn ouders, respectievelijk zijn pleegouders zou willen zetten. Het is zijn eigen keuze zijn ouders of pleegouders in het Relatie Diagram te zetten. Als het kind zijn ouders, resp. zijn pleegouders niet in het Relatie Diagram zet, dan wordt de score van 1 punt gegeven.

[41]

Met 0 à 2 jaar geplaatst: vader, resp. moeder in de 1e cirkel van het Relatie Diagram: 14% en 36 %. Met 8 à 10 jaar geplaatst, resp. 85% en 77 %.

[42]

Met 0 à 2 jaar geplaatst: vader niet in het Relatie Diagram: 64%, en pleegvader niet 21%; moeder niet in het Relatie Diagram: 50%, en pleegmoeder niet: 20%; met 8 à 10 jaar geplaatst: vader niet in Relatie Diagram 15% en pleegvader niet: 9%; moeder niet in Relatie Diagram 8% en pleegmoeder niet: 8%. Dezelfde tendens is te zien als men de kort en lang verblijvende kinderen met elkaar vergelijkt.Ter vergelijking: 58% van de kinderen in een problematische opvoedingssituatie thuis (afname PSI-G) zet zijn vader(figuur) in de 1e cirkel van het Relatie Diagram en 83% zijn moeder(figuur). De gescheiden ouder wordt door 43% van de kinderen met gescheiden ouders niet in het Relatie Diagram gezet (M. Jonkeren, De invloed van interferenties in de omgang tussen ouder en kind op de ontwikkeling van de ouder-kind relatie, (MA-scriptie Leiden), Leiden 2008).

[43]

A. Sitskoorn, De validiteit van het Pedagogisch SignaleringsInstrumentarium (MA-scriptie Leiden), Leiden, Universiteit Leiden 2011.

[44]

Zie ook: F. Juffer, ‘Beslissingen over kinderen in problematische opvoedingssituaties. Inzichten uit gehechtheidsonderzoek. Raad voor de Rechtspraak’, Research Memoranda 2010, nr. 6, Jrg. 6. {Aanvulling staat op FJR 2012/95}

[45]

NIZW Jeugd, Veilig thuis. Handreiking voor het beoordelen en bespreken van veiligheid van kinderen in hun thuissituatie, Utrecht: NIZW 2005.

[46]

A.M. Weterings, Loyaliteit bij pleegkinderen, Leiden, Universiteit Leiden, Interne Notitie 2011.

**

 Veel onderbouwing is te vinden op jeugdbescherming.jimdo.com en kinderbescherming.jimdo.com .

Opvallend is dat onveilige gehechtheid bij pleegsettingen vaker voorkomen dan na adoptie:

 

 

 \

 

 

 \

 

 

 \

 

 

 \

 

 

\

Ook opvallend is de oververtegenwoordiging van uitkeringstrekkers na het ervaren van ‘jeugdzorg’ ná het 18 worden (het aantal jeugdzorgkinderen is gerelateerd aan 3,5 miljoen kinderen in Nederland veel minder en daarom is dit verontrustend):

\

\

\

\

\

\

\

Het perspectief voor het pleegkind is dus niet best:

This site was designed with the
.com
website builder. Create your website today.
Start Now