top of page

Het verband tussen problematiek van Pleeg- en Adoptie-kinderen moge duidelijk zijn gezien deze historie:

​

​

Waarom de jeugdhulpverlening en de politiek geen specialismen wilden.

 

Ook hier worden verbanden tussen pleegzorg en adoptiezorg gelegd.

 

Door de problemen die met adoptie wat frequenter voorkwamen dan gewoonlijk, werd vanuit het Werkverband Adoptie Nazorg (WAN) gelobbyd om tot meer toegesneden hulpverlening te komen. Problemen kunnen onder meer ontstaan door de scheiding van de biologische ouders en de regionale cultuur.

Omdat de hulpvragen stegen werd geopperd om bij de toenmalige RIAGG’s  een specialist in te zetten rond deze problematiek. De jaren tachtig.

Enige wetenschappers waaronder prof. R. Hoksbergen (adoptie, hechting en identiteit) hadden reeds hun twijfels over de doelmatigheid van deze aanpak omdat het niet centraal was geregeld en daarmee de nodige kennis door gemis aan voldoende cases zou verwateren.

​

Toen al werd ingezien dat de drang tot decentraliseren de specialistische kennis niet zou bevorderen.

Wanneer zo’n AandachtsFunctionaris Adoptie (AFA), een specialist voor problemen bij het gescheiden zijn van de oorspronkelijke afkomst, bij één van de 50 regionale RIAGG’s zou vertrekken, zou daarmee de kennis verdwijnen. Slechts bij enige RIAGG’s werd zo’n AFA ingesteld, en het hielp, maar zeker niet voor andere regio’s.

De WAN klaagde over de onwil voor het instellen van meer en vindbare AFA’s. Er werd echter niet gekozen voor meer specialisme en kunde.

Er werd toen al voorgesteld om een 'Centrum voor Hulpverlening Adoptie- en Pleeggezinnen' op te zetten.

De ministers vonden daarentegen dat het 'beter' was de bestaande instellingen in te schakelen. De inzet van decentralisatie met mogelijk het idee van verdeel en heers?

​

Voor aspirant-adoptiefouders werden daarom door idealisten voorlichtingcursussen opgezet, waaruit de verplichte VIA-cursus voor aspirantouders voortkwam.

De WAN werd Wegwijzer Adoptie Nazorg.  Heden is er fiks bezuinigd op deze kennis tot doorverwijzing naar de juiste deskundige.

Ook bij de ambulante FIOM ontstond gespecialiseerde kennis. Deze is ook welhaast geheel wegbezuinigd.

In de jaren tachtig bestond er ook een Nederlandse Vereniging voor Pleegkinderen, waarvan de grootste groep bestond uit (aspirant) adoptiefouders. Dat was niet voor niets.

 

Fusies en afscheidingen, bezuinigingen en opheffingen volgen elkaar op.

​

Zowel middels IVF, KID en adoptie, als via pleegzorg wordt er gedacht om de kinderwens te laten vervullen.

Daaruit vloeide voort dat er kennis (deskundigheid) moest komen, en in het Tijdschrift voor Jeugdzorg van april 1998 stond een pleidooi voor nauwe samenwerking tussen pleeg- en adoptiezorg.

In het jaar 2000 werd nogmaals geadviseerd om tot een kenniscentrum te komen, een IBAP (https://kinderbescherming.jimdo.com/brieven/voorstel-ibap-deskundigheid/),  ten dienste van adoptie- en pleegkinderen.

​

Het wetenschappelijke en therapeutische inzicht bestond wel, maar werd genegeerd door de politiek.

Bij gemis aan politiek inzicht werd ondermeer Basic Trust opgezet om met o.a.  Video Interactie Begeleiding  ouders bij te staan met specialistische, orthopedagogische hulp. Daar bestaat wel ‘informed consent’, zoals dat hoort bij gezondheidszorg, iets dat in de jeugdhulpverlening, de jeugdzorg, zo gemist werd in al die decennia.

Ook werd vanuit het WAN, het Adoptie Centrum, de Associatie Intensieve Thuisbehandeling (AIT) èn de Stichting Jeugdzorg Noord-Brabant in 1995 gestart met de werkgroep 'Video Interactie Begeleiding van Adoptie en Pleegzorg'.

​

De Therapeutische GezinsVerpleging (TGV) hebben gespecialiseerde ‘adoptieteams’ opgezet. 

Bij het ‘afgestaan-zijn’, het weggenomen uit het oorspronkelijke gezin, doemen problemen op die gespecialiseerde kennis noden, zo bleek uit het TGV-onderzoek begin jaren negentig (Versluis-den Bieman, 1994). 

Bij adoptiegezinnen bleek rond de 1 op de 2 gezinnen het diagnostisch nodig met enige tips bij te sturen met meestal goed gevolg. Er zijn meer studies die nopen tot extra (diagnostieke) aandacht aan gezinnen met “weggeplaatste kinderen”.

​

“Binnen het adoptieveld, bij beleidsmensen, de RvdK en overheid,” zo schrijft R. Hoksbergen in zij boek ‘Kinderen die niet konden blijven’, 2011 (ISBN 978-94-6153-025-7), “wordt de laatste jaren steeds meer erkend dat pleeg- en adoptiezorg veel overeenkomsten hebben en dat opvoedingsproblemen in adoptiegezinnen vergelijkbaar zijn met die in pleeggezinnen.”

Het valt uit grafiek * op dat Gedesorganiseerde gehechtheid, als één van de problemen in dit veld, vaker voorkomen bij pleeg- en kindertehuiskinderen dan bij geadopteerden.

*Deze grafiek is te vinden op https://www.dropbox.com/s/h7yvgf5wsqm1ei5/2012%20FJR-95%2B%20Hechtingsstoornis%20en%20juridiserend%20handelen.pdf?dl=0 of onderaan.

 

 

“René de Bot, het is eind jaren negentig, benadrukte dat er belangrijke gelijkenissen zijn tussen opvoedingsproblemen in adoptie- en pleeggezinnen.”

 

Het advies om tot een op te richten stichting IBAP te komen bevestigt deze inzichten.

 

In Perspectief van februari 2001 van het Ministerie van Justitie schreef prof. F. Juffer: “Adoptie (het elders moeten opgroeien) is niet het beste voor een kind, maar wel beter dan opgroeien in een kindertehuis. …. Het geadopteerde kind moet zo mogelijk regelmatig contact hebben met diens biologische moeder, en vader indien die bekend is.”

Ze vroeg om wetenschappelijk onderzoek.

-(Tussen haakjes merkt ze ook op dat deze weggezette kinderen meer piekergedrag vertonen wanneer zij tussen de vijf en zeven jaar beseffen dat ze zijn ‘afgestaan’, waarbij het kind niet beseft dat dit de culturele dwang was, maar invult dat de moeder hen afstond, vaak met het idee dat ze kennelijk niets waard waren. Dit kan, ook bij uithuisgeplaatsten, tot een negatief zelfbeeld ontwikkelen. Dit ‘afgestaan-zijn’, uithuisgeplaatst-zijn, kan in de identiteitsfase de psyche ernstig belasten waardoor deze kinderen soms wel twee schoolniveaus zakken.)-

​

Dit ‘bekend zijn met eigen ouders’ strookt ook met het zeer grote wetenschappelijke onderzoek “Keeping the Promise”, Susan L. Smith, 2010 (https://www.dropbox.com/s/asyekb1stgzxvh7/Keeping%20the%20Promise-%20VERTALING%20-summary.pdf?dl=0),  waaruit o.a. geadviseerd kwam om meer genuanceerd, specialistisch onderzoek, te meer omdat bleek dat de reguliere jeugdzorg nìèt de nodige kennis matcht bij de case.

​

Bij adoptie bestaat er een inzicht voor de mogelijkheid tot  ‘zwakke adoptie’ waarbij het kind diens ouders blijft kennen onder deskundige begeleiding in frequente contacten. (Daartoe is 'jeugdzorg' dus niet bevoegd). Pleegzorg middels het ongediagnosticeerd uithuisplaatsen zou dit mogelijk moeten maken.

Er wordt hierbij een denkfout gemaakt, namelijk gaat men van het axioma uit dat deze pleegkinderen op valide gronden en op open diagnostiek uit huis waren geplaatst. Echter...  de roep om (diagnostieke) waarheidsvinding en de bevinding van o.a. de kinderombudsman Dullaert in 2013 (http://www.dekinderombudsman.nl/92/ouders-professionals/publicaties/rapport-is-de-zorg-gegrond/?id=325) dat er vele fouten in de rapportages van de ‘jeugdzorg’ naar de rechter staan, maakt dat dit axioma geen opgeld doet.

Het ‘kennen’ van eigen familie blijkt belangrijk in diverse levensfasen. Maar dat kinderen in pleegzorg niet het liefst weer naar ‘thuis’ gaan, met blokkaderecht aan pleegouders, is een misvatting. (Verwerking in het kind geschiedt het effectiefst thúís, met zo nodig deskundige hulpverlening na diagnose).

Daarom zouden ouders die hun plicht uit BW1:247 nakomen ter optimalisatie van het hulptraject de toegang tot de in IVRK art. 24 lid 1 genoemde gezondheidszorg niet mogen worden weggezet bij de rechter als 'tegenwerkend' en onwillig of onleerzaam.

​

Ouders bij weggeplaatste kinderen krijgen al te vaak geen juiste, deskundige en integrale voorlichting hoe ze moeten werken aan het voldoen van de geopperde “ernstige bedreiging van de ontwikkeling” naar de tekst uit BW1:255.

Daarmee wordt BW1:262 lid 3 en 1 overtreden in de praktijk van ‘jeugdzorg’.

Veel ouders blijven in vaagheden onder de OTS zwemmen.

​

Anno 2015, 2017, blijkt de decentralisatie wel erg ver doorgevoerd te zijn.

De toegang tot open diagnosticerende gezondheidszorg blijkt gesloten onder de OTS. 'Jeugdzorg' weet het beter en wijst wel aan welk zorgtraject het gezin móét volgen. Mocht het gezin dat tegenspreken omdat ze een hoogwaardiger en meer optimaal passend hulptraject wensen en zelfs al hebben gevonden, dan wordt er verslag gelegd door de gezinsvoogdij of beschermingstafel dat de ouders 'onwillig, onleerzaam, en hulpmijdend zijn'; de ouders heten 'tegenwerkend' te zijn, naar de rechter toe.

​

Daarbij ontbreekt dus de weging van het kinderrecht IVRK artikel 24 lid 1.**

**{Lid 1. "De Staten die partij zijn, erkennen het recht van het kind op het genot van de grootst mogelijke mate van gezondheid en op voorzieningen voor de behandeling van ziekte en het herstel van de gezondheid. De Staten die partij zijn, streven ernaar te waarborgen dat geen enkel kind zijn of haar recht op toegang tot deze voorzieningen voor gezondheidszorg wordt onthouden.”   - Maar ook:  Lid 3. "De Staten die partij zijn, nemen àlle doeltreffende en passende maatregelen teneinde traditionele gebruiken die schadelijk zijn voor de gezondheid van kinderen [dus ook niet-open-diagnosticerende ‘jeugdzorg’ met diens vele fouten] af te schaffen."  - Zie plaatjes onderaan.}

De toegang tot open diagnostiek staat het gezin onder ‘jeugdzorg’ of ‘jeugdhulp’ in de weg.

En mocht er eindelijk een doorverwijzing komen, vaak na escalatie door eerst een te laag niveau aan (opgedrongen) hulpverlening, dan blijken er lange wachtlijsten te bestaan naar de specialisten die niet passen bij de open toegang tot de genoemde gezondsheidsvoorzieningen.

​

De politiek heeft op jeugdzorglobby ingestemd om de (ortho)pedagogische en psychologische, zelfs de psychiatrische hulp, bìnnen het sociaal domein te trekken en de aanwijsbevoegdheid in handen te geven van jeugdzorgwerkers en ambtenaren.

Al zit er dan een gedragswetenschapper, vaak geen gedragsdeskundige, in het team, deze ziet naar beroepsethiek het cliëntsysteem niet, en mag daarom geen diagnose uitspreken.

Toch doet de ‘jeugdzorg’ naar rechters voorkomen dat er een diagnose zou bestaan. De rechter controleert daar veelal niet op in diens afweging op de weegschaal van Vrouwe Justitia. De historie om deze deskundige drempel in te bouwen die daarop genegeerd werd staat op https://jeugdbescherming.jimdo.com/kwaliteit/wat-rechters-niet-willen-weten-meten/.

​

Na decennia nalatigheid vanuit de ministeries moet er ten dienste van het kind verbetering komen met evidence-based-benadering.

Er is, zeker voor de kinderen die onder een kinderbeschermende maatregel lijden

een Onderzoeksrechter (http://svensnijer-essays.blogspot.nl/2017/02/jeugdbescherming-heeft.html) nodig die het diagnostisch meten goed nágaat.

Nodig, noodzakelijk, méde omdat de huidige jeugdrechter daarbij zelden afweegt dat het wegplaatsen schadelijke effecten in de psyche van het zich ontwikkelende kind, de ontvankelijke opgroeiende, kent.

Wetenschappelijke onderzoeken wijzen daarop, met zelfs een woord aan de rechter, verzameld op o.a. https://jeugdbescherming.jimdo.com/kwaliteit/wertenschap-kind-oudercontact-schaden-is-schadelijk/ (met link naar artikel en verdere ondebouwing).

“Na deze publicatie,” zo zegt arts-professor U. Gresser, “kunnen rechters niet meer zich verschuilen door dit kindbelang te negeren.
De rechter (of gezinsvoogd) die nu nog contactbeschadigend handelt, handelt willens en wetens kind-beschadigend,”
een vorm van institutionele kindermishandeling!

​

Dit inzicht, bevestigd door meerdere wetenschappers, moet nu mede gewogen (gaan) worden.*

Maar rechters zijn nog geen onderzoeksrechters die de contra-indicaties meewegen, met oog op de bewezen schadelijkheid van een dwangtraject.

De politiek voelt het kind niet aan, en vindt geen urgente weg om dit inzicht aan te passen in het jeugdzorgbeleid.

De uitwerking van motie van Norbert Klein wordt niet onderkent vanuit het belang van vele duizenden kinderen per jaar die onder 'jeugdzorgbeweringen' lijden.

​

*: {mobielgebruikers kunnen

     beter op een groot scherm

     kijken, of veel scrollen.

     Er staan afbeeldingen!}

​

​

​

​

​

​

​

​

​

​

​

​

​

​

​

​

​

​

​

​

​

​

​

​

​

​

​

​

​

​

​

​

​

​

​

​

​

​

​

​

​

​

​

​

​

​

​

​

​

​

​

​

​

​

In dit boek meer historie rond adoptie, pleeg, beleid, gevolgen.        

​

​

Uithuisgevolgen.JPG
Jz-UHPdreig.JPG
bottom of page